Conclusie
Inleiding
Het middel
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens niet naleving van artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. Het hof legde voor twee feiten telkens een hechtenisstraf van één week op, terwijl voor twee andere feiten geen straf werd opgelegd. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het vonnis.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd om in de strafmotivering specifiek de redenen te geven die hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf. De motivering voldeed niet aan de eis dat expliciet moet blijken waarom een hechtenisstraf werd opgelegd, aangezien het hof volstond met een algemene verwijzing naar de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden.
Dit verzuim leidt volgens artikel 359, achtste lid, Sv tot nietigheid van de strafoplegging. De conclusie strekt daarom tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest, namelijk voor wat betreft de strafoplegging voor de eerste twee bewezenverklaarde feiten, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing over de strafoplegging. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen wegens onvoldoende motivering van de hechtenisoplegging.