Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd verweten betrokken te zijn geweest bij voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs, waaronder het samenvoegen en verwarmen van stoffen die leiden tot BMK.
Het hof had vastgesteld dat de betrokkene materialen en stoffen bestemd voor de productie van BMK in bezit had, en legde een betalingsverplichting op tot ontneming van het voordeel. De betrokkene was echter vrijgesproken van het feit waarop het voordeel deels was gebaseerd, wat tot een cassatiemiddel leidde.
De Hoge Raad oordeelde dat dit cassatiemiddel niet tot vernietiging leidt, maar stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de betalingsverplichting van €11.667 naar €11.084.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofvonnis uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en wees het beroep voor het overige af. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 6 oktober 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €11.084 wegens overschrijding van de redelijke termijn.