Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zeven minderjarige meisjes, waaronder zijn eigen dochter, stiefdochters en een nichtje. Het hof legde een gevangenisstraf op van 48 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, en verplichtte de verdachte tot betaling van schadevergoedingen aan de slachtoffers met een vervangende hechtenis bij niet-betaling.
De verdachte stelde meerdere klachten in cassatie, onder meer over de toepassing van artikel 14b lid 2 Sr en de motivering van het hof over het risico op herhaling. De Hoge Raad verwierp deze klachten, maar stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf.
Daarnaast vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het vervangende hechtenis oplegde bij niet-betaling van schadevergoedingen, omdat het hof een kennelijke rekensomfout had gemaakt bij de duur van de gijzeling. De Hoge Raad corrigeerde dit en bepaalde dat de duur van de vervangende hechtenis 93 dagen bedraagt in plaats van 135 dagen.
De Hoge Raad besloot de gevangenisstraf te verminderen tot 46 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar, en verwierp het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor vervangende hechtenis en vermindert de gevangenisstraf tot 46 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.