Conclusie
Nummer19/01910
Het cassatieberoep
Het middel
NJ2008/52 m.nt. Mevis geoordeeld dat de wijziging van art. 14a Sr bij Wet van 22 december 2005,
Stb.2006, 11 (Wet herijking strafmaxima, in werking getreden op 1 februari 2006) [12] die – kort gezegd – de mogelijkheid voor een voorwaardelijke veroordeling verruimde, geen verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr inhoudt. Het hof had ten onrechte de nieuwe bepaling toegepast op feiten die waren begaan voordat de wetswijziging in werking was getreden. De Hoge Raad overwoog daartoe dat uit de wetsgeschiedenis niet is gebleken dat er sprake is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr. Deze rechtspraak is intussen onder invloed van de (post-)Scoppola-rechtspraak verlaten. In HR 25 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1730, m.nt. Keijzer had het hof een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk opgelegd. De door het hof beoogde totale strafduur van 15 maanden zou onder vigeur van art. 14a (oud) Sr meebrengen dat het op te leggen onvoorwaardelijk gedeelte ten minste tien maanden zou moeten belopen. Het huidige art. 14a Sr biedt de mogelijkheid om een onvoorwaardelijk gedeelte van kortere duur op te leggen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daarom kennelijk en met juistheid had geoordeeld dat toepassing van laatstgenoemde bepaling in plaats van art. 14a (oud) Sr in deze zaak ten gunste van de verdachte werkte.
NJ2015/431. In deze zaak had het hof de verdachte veroordeeld wegens 3. “verkrachting, meermalen gepleegd” en 4. en 5. “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, waarbij het hof bijzondere voorwaarden had gesteld. In cassatie werd aangevoerd dat het hof ten onrechte de proeftijd op vijf jaren had vastgesteld omdat de proeftijd niet meer dan twee jaren zou mogen bedragen. Mijn ambtgenoot Vegter merkte in zijn conclusie (onder 35) voorafgaand aan het arrest op dat deze deelklacht van het middel faalde bij gebrek aan feitelijke grondslag. Daartoe wees hij erop dat de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten waren begaan in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 respectievelijk 1 april 2008 tot en met 1 mei 2009. De omstandigheid dat het onder 5 bewezen verklaarde feit was begaan in de periode van 1 augustus 2003 tot en met 3 oktober 2005, maakte dat niet anders. De Hoge Raad liet de duur van de proeftijd in stand.
Schriftelijke toelichting en ambtshalve opmerkingen
Stcrt.2020, 2841) kan een schriftelijke toelichting worden overgelegd op de openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad dan wel tot aan de dag vóór die zitting worden ingediend. Middelen van cassatie kunnen niet meer worden voorgesteld na afloop van de indieningstermijn. De schriftelijke toelichting kan niet worden gebruikt voor het indienen van nieuwe middelen. [25]