Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een ongeval, terwijl hij wist dat aan verschillende auto's schade was ontstaan door een ander op de bestuurdersstoel te laten plaatsnemen.
De verdediging voerde onder meer aan dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. Het hof had echter niet gemotiveerd beslist op dit verweer, wat in strijd is met artikel 359 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld en neemt zelf aan dat de redelijke termijn is overschreden.
Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor het deel van de strafoplegging en vermindert de opgelegde geldboete van €1.000 naar €900 en de vervangende hechtenis van twintig naar achttien dagen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd naar €900 en de vervangende hechtenis naar achttien dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.