ECLI:NL:HR:2020:1644

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 oktober 2020
Publicatiedatum
15 oktober 2020
Zaaknummer
19/03381
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.1.a WVW 1994Art. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn bij verlaten plaats ongeval

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een ongeval, terwijl hij wist dat aan verschillende auto's schade was ontstaan door een ander op de bestuurdersstoel te laten plaatsnemen.

De verdediging voerde onder meer aan dat de redelijke termijn van berechting was overschreden. Het hof had echter niet gemotiveerd beslist op dit verweer, wat in strijd is met artikel 359 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld en neemt zelf aan dat de redelijke termijn is overschreden.

Als gevolg daarvan vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor het deel van de strafoplegging en vermindert de opgelegde geldboete van €1.000 naar €900 en de vervangende hechtenis van twintig naar achttien dagen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd naar €900 en de vervangende hechtenis naar achttien dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03381
Datum27 oktober 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2019, nummer 22-003883-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot het verminderen van de opgelegde straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat niet is beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn dat namens de verdachte is gedaan.
2.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 tot en met 9.
2.3
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. Aangenomen moet worden dat in eerste aanleg de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 1.000, subsidiair twintig dagen hechtenis.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 900, subsidiair achttien dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 oktober 2020.