Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte als datum van aanvang van de redelijke termijn de betekening van de dagvaarding om ter zitting van de politierechter te verschijnen heeft aangemerkt in plaats van het moment van het eerste verhoor van de verdachte bij de politie, zodat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de strafoplegging is gekomen.
NJ2008/358, m.nt. Mevis volgt dat in strafzaken op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijk termijn inbreuk kan worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Uit dit arrest blijkt eveneens dat de Hoge Raad van oordeel is dat een meer specifieke regel hieromtrent niet is te geven en art. 6 EVRM Pro niet tot de opvatting dwingt dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als een zodanige handeling heeft te gelden. De inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding dienen daarentegen wel als een zodanige handeling te worden aangemerkt. [1]
nooitals beginpunt van de redelijk termijn kan worden aangemerkt niet in zijn algemeenheid kan worden aanvaard, nu het juist afhangt “van de omstandigheid of de betrokkene uit dit politieverhoor heeft opgemaakt en in redelijkheid heeft kunnen opmaken, dat het Openbaar Ministerie het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen.” De waardering van dit oordeel is in belangrijke mate voorbehouden aan de feitenrechter, aldus de Hoge Raad. [3]
NJ2007/50. In deze zaak was de verdachte op 27 augustus 1999 aangehouden, verhoord en zonder in verzekering te zijn gesteld heengezonden en was op 29 augustus 2001 de inleidende dagvaarding in persoon aan de verdachte betekend. Het hof oordeelde dat het beginpunt van de redelijke termijn was de dag van de betekening van de inleidende dagvaarding, hetgeen – hoewel de verdachte dus reeds was verhoord – volgens de Hoge Raad niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. [4]
Hozee tegen Nederlanddat als beginpunt had te gelden het moment van het eerste politieverhoor van de verdachte. Toch kan ook hier de kanttekening worden geplaatst dat zowel het hof als de Hoge Raad van dit beginpunt waren uitgegaan. In de zaak
O’Neill en Lauchlan tegen het Verenigd Koninkrijkwerden O’Neill en Lauchlan op 17 september 1998 – het beginpunt van de redelijke termijn volgens de klagers – afzonderlijk vijf uur lang verhoord door politieagenten en werden zij beschuldigd van moord. Zij vroegen aan de politieagenten of ze zouden worden aangeklaagd voor de moord, maar kregen, zo blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het EHRM, aanwijzingen dat dit niet het geval was. Na de verhoren werden ze niet gearresteerd of beschuldigd van enig strafbaar feit wegens onvoldoende bewijs. Vervolgens werden zij op 5 april 2005 wel aangeklaagd voor de moord en het verbergen en doen verdwijnen van het lichaam van het slachtoffer. Het Verenigd Koninkrijk was van oordeel dat dit moment kon worden beschouwd als het aanvangspunt van de redelijke termijn. Het EHRM ging in deze zaak vervolgens niet nader in op de vraag welk moment als aanvangspunt diende te worden beschouwd, omdat (i) de redelijke termijn zowel bij de aanvangsdatum van 17 september 1998 als 5 april 2005 was geschonden en (ii) het tijdsverloop tussen deze twee data niet het gevolg was van een gebrek aan zorgvuldigheid aan de zijde van de Britse autoriteiten. Gelet hierop ging het EHRM uit van de veronderstelling dat de termijn was aangevangen op 5 april 2005.
Yankov en Manchev tegen Bulgarije, waarin het EHRM het beginpunt van de redelijke termijn vaststelt niet op de dag dat de verdachte formeel was aangeklaagd, maar op de dag dat de verdachte een bekennende verklaring had afgelegd. [6] Ik kan dit uitgangspunt van Keulen wel volgen, met die kanttekening dat het wel van de omstandigheden van het geval - zoals de aard van de verdenking en de gang van zaken bij het verhoor - zal afhangen of de verdachte die een bekennende verklaring aflegt, inderdaad vanaf dat moment in beginsel in redelijkheid kon verwachten dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.