Conclusie
1.Inleiding
2.Het tweede middel
3.Het eerste middel
raadsmanvoert het woord tot verdediging als volgt:
Oplegging van straf en/of maatregel
Hozee tegen Nederland. In die zaak werd van 1981 tot 1984 onderzoek gedaan naar de bedrijven van de verdachte in verband met de belastingaangiften die zij hadden aangeleverd. Gedurende het onderzoek kwam naar voren dat de verdachte zelf betrokken was bij frauduleuze praktijken. Het onderzoek werd vervolgens door de belastingdienst overgedragen aan de FIOD die hem in juni 1984 heeft verhoord. Tijdens dit verhoor werd hem officieel medegedeeld dat hij werd verdacht van strafbare feiten. Vanaf dit moment was zijn situatie
substantially affecteden begon de redelijke termijn te lopen. [5] Het lijkt mij dat het voorgaande te meer geldt als het verhoor van de verdachte volgt op een reeds door de opsporingsautoriteiten verricht, min of meer afgerond, onderzoek en de verdachte tijdens het verhoor op de hoogte wordt gesteld van de tegen hem bestaande verdenking en de voor hem belastende resultaten van dit onderzoek. Als die resultaten dusdanig belastend zijn dat de verdachte aan de inhoud van het verhoor in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat het openbaar ministerie hem voor het strafbare feit waarover hij is gehoord zal gaan vervolgen, kan dat moment als beginpunt van de redelijke termijn worden aangemerkt. [6]