ECLI:NL:HR:2020:17
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Uitsluiting van Nederlandse volksverzekeringen voor ingezetenen met mini-job in Duitsland niet strijdig met Unierecht
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Sociale Verzekeringsbank tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van de AOW op ingezetenen die in Duitsland een mini-job verrichten en daardoor niet verzekerd zijn voor de Duitse volksverzekeringen.
De Hoge Raad vroeg het Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële uitleg over de toepassing van de artikelen 45 en 48 VWEU en artikel 13 van Pro Verordening 1408/71. Het Hof oordeelde dat deze bepalingen niet verhinderen dat een lidstaat een migrerende werknemer die in die lidstaat woont maar onderworpen is aan de socialezekerheidswetgeving van een andere lidstaat, uitsluit van de volksverzekeringen van de woonstaat.
De Hoge Raad concludeert dat Nederland als woonstaat niet verplicht is om deze personen als verzekerden aan te merken voor de AOW, ook niet als zij daardoor geen ouderdomspensioen of toeslag ontvangen. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt vernietigd en de eerdere uitspraken van de Rechtbanken Maastricht en Roermond worden bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederland niet verplicht is ingezetenen met een mini-job in Duitsland voor de AOW te verzekeren en vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.