Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Proceskosten
4.Beslissing
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepassing van de Algemene Ouderdomswet (AOW) op een ingezetene die een mini-job verricht in Duitsland en daardoor niet in Duitsland verzekerd is.
De Hoge Raad heeft in deze zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) over de verenigbaarheid van de uitsluiting van Nederlandse volksverzekeringen met het Unierecht. Het HvJ-EU oordeelde dat de uitsluiting niet strijdig is met het Unierecht.
Op basis van deze prejudiciële beslissing verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de SVB gegrond, vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Limburg. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Sociale Verzekeringsbank wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank Limburg bevestigd.