Conclusie
1.Overzicht
geringfügig Beschäftigte. Zij verdienden weinig en waren alleen verzekerd tegen arbeidsongevallen. Personen met een dergelijke
mini-jobzijn dus, ook als zij Duits ingezetenen zijn, in Duitsland niet verzekerd voor
Kindergelden ouderdomspensioen.
Giesen en Van den Berg) [4] heeft u het HvJ EU de volgende drie vragen voorgelegd:
overruledof aangevuld wordt door de artt. 45-48 VwEU. Dat kan leiden tot zowel nadelen bij aanvaarding van werk in een andere lidstaat als die een slechter sociaal stelsel heeft, als voordelen als de werkstaat een beter stelsel heeft. Verlies van rechten in de niet-bevoegde woonstaat is dus volgens het HvJ het gevolg van een stelseldispariteit en niet van discriminatie door de woonstaat.
Bosmannvolgt dat een migrerende werknemer toch, ook in zijn woonstaat, sociale verzekeringsaanspraken kan hebben als nationaal recht dat mogelijk maakt: het EU-recht verplicht de niet-bevoegde woonstaat weliswaar niet tot compensatie van de magerte van het werkstaatstelsel, maar het verzet zich evenmin tegen toekenning van verzekeringsaanspraken door de niet-bevoegde Staat, als de laatste daarvoor maar geen voorwaarden zoals premiebetaling stelt.
Bosmann; zie voetnoot 21). Nu Giesen’s echtgenote vóór 1989 in Nederland woonde en in Duitsland werkte en aldaar niet verzekerd was, sloot het geciteerde art. 2(1)(a) BUB 1976 haar niet uit van Nederlandse AOW-verzekering. Het HvJ EU gaat er dan ook vanuit dat tot 1989 voor AOW-verzekering inwonerschap het aansluitcriterium was. De Nederlandse regering wierp echter tegen dat voor AOW-uitkering wel degelijk de voorwaarde van verzekerd zijn geldt en dat als arbeid in loondienst wordt verricht, ook vóór 1989 premiebetaling vereist was om in aanmerking te komen voor uitkering ter zake van die arbeidsjaren. Het HvJ vraagt u om te beoordelen of Giesen’s echtgenote in 1988 AOW-verzekerd was
ongeachtpremiebetaling, dus louter op basis van inwonerschap.
lex loci labori, gezien zijn duidelijke eerste antwoord.
nietbelet om ingezeten migrerende werknemers die EU-rechtelijk exclusief elders verzekerd zijn toch sociale-zekerheids
rechtentoe te kennen, maar
welbelet om toekenning afhankelijk te stellen van verzekerings
plichtenzoals met name premiebetaling. Duidelijk lijkt mij, gezien dit antwoord, dat Nederland van Giesen’s echtgenote niet (alsnog) premies kan vragen voor AOW-opbouw in 1988.
geringfügig Beschäftigteslechts zeer weinig inkomen uit betaalde arbeid hadden en geen inkomen zouden hebben gehad (en dus premievrij verzekerd zouden zijn geweest) als zij werkloos in Nederland waren gebleven en (v) de plicht van de nationale rechter om zijn nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met de strekking van het EU-recht uit te leggen, meen ik dat de tekst van het BUB 1976 prevaleert, zodat Giesen recht heeft op partnertoeslag op zijn AOW-uitkering voor de door zijn echtgenote vóór 1989 in Duitsland gewerkte periode.
2.Overzicht van verwikkelingen
Giesengaat over de partnertoeslag op het ouderdomspensioen van de heer Giesen. Diens echtgenote woont in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft twee periodes in 1970 en van 19 mei 1988 t/m 12 mei 1993 in Duitsland gewerkt als
geringfügig Beschäftigte. Zij was net als Duits ingezetenen met zo’n
mini jobin Duitsland slechts verzekerd tegen arbeidsongevallen; niet voor
Kindergelden ouderdomspensioen. Bij besluit van oktober 2007 heeft de Svb Giesen een ouderdomspensioen en partnertoeslag toegekend, maar op de toeslag 16% gekort omdat zijn echtgenote meer dan acht jaar niet in Nederland verzekerd is geweest, toen zij in Duitsland werkte. De Svb heeft Giesen’s bezwaar daartegen ongegrond verklaard en de Rechtbank Roermond [9] heeft het beroep daartegen, dat alleen nog de periode 19 mei 1988 t/m 31 december 1992 betrof, ongegrond verklaard.
Kindergeld. In de litigieuze jaren was zij alleenstaande moeder en ontving ze een aanvullende uitkering ex de Algemene bijstandswet resp. de Wet Werk en Bijstand. De Svb heeft op 25 februari 2003 beschikt dat zij vanaf 1 januari 2001 geen recht meer heeft op kinderbijslag omdat ze vanaf die datum niet meer is verzekerd. Na correspondentie en bezwaren heeft de Svb op 6 februari 2008 een nieuw besluit genomen dat inhoudt dat volgens art. 13(1)-(2) Vo. 1408/71 alleen de Duitse wetgeving van toepassing is. De Rechtbank Maastricht [11] heeft Franzen’s beroep daartegen ongegrond verklaard.
Giesenen
Van den Bergover AOW-rechten. Op 27 januari en op 29 maart 2012 heeft de Svb Franzen een pensioenoverzicht verstrekt dat vermeldt dat zij niet verzekerd was van 1 januari 2001 t/m 29 september 2007 en van 12 augustus 2008 t/m 15 februari 2009. Franzen’s bezwaar is door de Svb ongegrond verklaard omdat zij in de genoemde perioden in Duitsland werkte, zodat volgens de Vo. 1408/71 alleen de Duitse socialezekerheidswetgeving op haar van toepassing was. De Rechtbank Limburg [12] heeft Franzen’s beroep ongegrond verklaard.
geringfügige Beschäftigtungin Duitsland omdat zij (uitsluitend) in een andere staat werkten. Dat blijkt uit de opeenvolgende Besluiten uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen (BUB; zie art. 2(1)(a) BUB 1976, [13] art. 10(1) BUB 1989 [14] en art. 12 BUB Pro 1999 [15] ) en uit art. 13 Vo Pro. 1408/71 [16] dat exclusief het sociale verzekeringsstelsel van het werkland aanwijst, in Nederland geïmplementeerd in de ‘uitsluitingsbepalingen’ art. 6a AOW (geldig vanaf 1 januari 1989) en art. 6a AWK (geldig ten tijde van de feiten van
Franzen I). De belanghebbenden hadden daardoor voor de perioden (na 1988) waarin zij in Duitsland werkten in Duitsland, noch Nederland aanspraak op ouderdomspensioen en kinderbijslag.
geringfügig Beschäftigteuitsluit van ouderdomspensioen en
Kindergeldom het voor werkgevers, die daarvoor ook geen premies voor hoeven te betalen of in te houden, aantrekkelijker te maken om werknemers in dienst te nemen.
Giesen,
Van den Bergen
Franzen Igezamenlijk heeft behandeld. Bij tussenuitspraak van 1 juli 2013 [17] heeft de CRvB het HvJ EU ex art. 276 VwEU Pro prejudicieel de volgende vragen gesteld:
mini-jobbersbij de
lex loci laboris: op 23 april 2015 beantwoordde hij de eerste twee vragen van de CRvB als volgt: [19]
verplichtende artt. 45-48 VwEU Nederland om zijn met Vo. 1408/71 strokende uitsluitingen in art. 6a AOW en art. 6a AKW buiten toepassing te laten?) niet beantwoord. In de onderdelen 5.5 en 11.19 van de conclusie [20] van 16 maart 2017 voor uw verwijzingsarresten HR
BNB2018/84 en HR
NTFR2018/360 heb ik uiteengezet dat ’s Hofs antwoord en met name het niet-beantwoorden van die derde vraag op een samengesteld misverstand berust en dat de hardheidsclausules de Svb niet de bevoegdheid geven om de uitsluitingsbepalingen buiten toepassing te laten.
Bosmann-gevallen te zien. De zaak
Bosmann [21] houdt in dat de niet-bevoegde woonstaat ondanks de exclusieve aanwijzing van de werkstaat wel gezinsbijslagen
magverlenen als de nationale wetgeving dat mogelijk maakt. Kennelijk veronderstelde het HvJ EU dat de belanghebbenden voldeden aan de voorwaarden voor toekenning van AOW/AKW op basis van Nederlandse aansluitregels (én - ten onrechte - dat het CRvB op basis van de hardheidsclausules de artt. 6a AOW en 6a AKW buiten toepassing kon laten).
Giesen en Van den Berg(AOW), [22] Franzen I(kinderbijslag) [23] en
Franzen II(AOW). [24] Hij oordeelde dat (i) Nederland onder het EU-recht bevoegd is AOW/kinderbijslag toe te kennen aan de belanghebbenden, (ii) de strekking van Vo. 1408/71 meebrengt dat de tot uitvoering daarvan dienende artt. 6a AOW en 6a AKW buiten toepassing blijven, en (iii) het EU-recht de Svb verplicht om de BUB-hardheidsclausules toe te passen op gevallen zoals die van de belanghebbenden, hetgeen (iv) bij Verordeningsconforme toepassing leidt tot slechts één uitkomst, nl. (v) uitschakeling van ook de uitsluitingsbepalingen van artt. 10 BUB 1989 en 12 BUB 1999 (zie 2.7 hierboven).
Giesen en Van den Berg), [26] heeft u de volgende vragen aan het HvJ EU voorgelegd:
BNB2018/84 met nr. 16/03746 overwoog u:
verplichtis om Giesen AOW toe te kennen, maar wel of de exclusieve aanwijzing van het Duitse stelsel door art. 13(2)(a) Vo. 1408/71 Nederland
beletGiesen een AOW-partnertoeslag toe te kennen. Giesen’s situatie is wellicht geen
Bosmann-geval (waarin het recht op opbouw of uitkering niet afhankelijk is van de voorwaarde van werkzaamheden in loondienst of van verzekering), gegeven dat het recht op een AOW-uitkering
welafhankelijk is van voorwaarden inzake verzekering:
3.De conclusie van A-G Sharpston: Nederland moet bijspringen zonder premieheffing
Giesen en Van den Bergen
Franzen Ials volgt te beantwoorden: [28]
Giesen en Van den Berg, over de periode vóór 1 januari 1989, leest de A-G aldus dat u wenst te “vernemen of het recht op een uitkering op grond van de AOW moet worden aangemerkt als een recht op uitkering dat in de nationale wetgeving niet afhankelijk is gesteld van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering.” Op basis van
Franzen e.a.,
Bosmannen
Hudzinski en Wawrzyniak, [30] meent de A-G dat als een migrerende werknemer voldoet aan de nationale voorwaarden voor een socialezekerheidsuitkering, de exclusieve aanwijzing van de werkstaat in art. 13 Vo Pro. 1408/71 niet in de weg staat aan toekenning daarvan, en dat de nationale rechter moet nagaan of de belanghebbenden aan die aansluitvoorwaarden voldoen. Volgens haar moet u er daarbij rekening mee houden dat de Staat voor werklozen die in Nederland wonen wél de socialezekerheidsbijdragen betaalt.
NLF2019/0905) meent naar aanleiding van deze conclusie dat Nederland voldoende bescherming biedt ter zake van ouderdomspensioen, maar dat Franzen waarschijnlijk wel recht heeft op kinderbijslag:
NTFR2019/1457) heeft moeite met de conclusie van Sharpston:
4.Het (tweede) arrest van het HvJ EU
Giesen en Van den Bergen
Franzen I(16/03746bis en 16/03747bis) beantwoord in één antwoord 1. Uw derde vraag in de zaak
Giesen en Van den Berg(16/03746bis) beantwoordde hij in antwoord 2:
V-N2019/44.9 tekende hierbij aan:
Bosmann-geval is) aldus dat art. 13 Vo Pro. 1408/71 de niet-bevoegde woonstaat
niet beletom socialezekerheidsuitkeringen te doen als zijn wetgeving dat mogelijk maakt, maar daar geen verzekeringsplicht of premieheffing aan mag koppelen omdat hij nu eenmaal niet de bevoegde lidstaat is en zulks dus in strijd zou komen met art. 48 VwEU Pro en Vo. 1408/71. Een dergelijke plicht kan er immers toe leiden dat de werknemer in twee lidstaten premies moet betalen en daardoor minder gunstig wordt behandeld dan werknemers die hun hele werkzame leven in één lidstaat leiden. Dit betekent echter niet dat een migrerende werknemer niet verzekerd kan zijn in zijn woonstaat:
V-N2019/44.9 heeft het Hof de opvatting van A-G Sharpston (dat de artt. 45-48 VwEU Nederland verplichten om aan te vullen tot woonstaatniveau) verworpen:
NLF2019/2160) meent dat de belanghebbenden om een art. 17-overeenkomst hadden moeten vragen. Over ‘s Hofs tweede antwoord (op uw derde vraag in de zaak 16/03746bis) merkt zij op dat Giesen’s echtgenote in de periode vóór 1 januari 1989 waarschijnlijk wel degelijk AOW-premie verschuldigd is geweest via haar man en dat het dus voor de hand ligt dat Giesen voor deze jaren de partnertoeslag op zijn AOW-uitkering krijgt:
5.De reacties van de partijen
De Sociale verzekeringsbank
BNB2018/84 met nr. 16/03746 blijkt (zie uw r.o. 2.12.3, geciteerd in 2.18 hierboven) dat de financiering van de Nederlandse AOW is gebaseerd op premieheffing.
6.Wat betekent dit voor de te berechten zaken?
overruledof aangevuld wordt door het vrije werknemersverkeer ex artt. 45-48 VwEU. Dat kan leiden tot verlies van sociale voordelen bij aanvaarding van werk in een andere lidstaat met een slechter sociaal stelsel, maar evenzeer tot sociale voordelen als het stelsel van de werkstaat beter is dan dat van de woonstaat. Een verlies van sociale voordelen in de niet-bevoegde staat is dus volgens het HvJ het gevolg van een dispariteit tussen twee elkaar uitsluitende stelsels en niet van discriminatie van de grensarbeider door diens woonstaat. De woonstaat hoeft dus ook geen rechtvaardiging voor die niet-bestaande discriminatie te geven (zoals bijvoorbeeld financierings- en uitkeringscoherentie), laat staan dat aan een proportionaliteitsbeoordeling zoals die van de A-G Sharpston toegekomen wordt.
Bosmannvolgt immers dat een migrerende werknemer toch ook in zijn woonstaat sociale verzekeringsaanspraken kan hebben als het nationale dat mogelijk maakt: het EU-recht verplicht de niet-bevoegde woonstaat weliswaar niet tot compensatie van de magerte van het werkstaatstelsel, maar het verzet zich evenmin tegen toekenning van verzekeringsvoordelen door de niet-bevoegde Staat, als de laatste daarvoor maar geen premiebetaling eist.
verplichtingvan de betrokken lidstaten aan te nemen in gevallen zoals die van de belanghebbenden, waarin de uitoefening van het recht op vrij verkeer gedurende beperkte deeltijd leidt tot een totaal verlies van de bij die perioden horende rechten op pensioen of kinderbijslag in de woonstaat. Dat helpt deze belanghebbenden echter niet.
BNB2018/84 met nr. 16/03746bis, die vraagt of art. 13 Vo Pro. 1408/71 in de weg staat aan AOW-opbouw in de woonstaat voor een ingezeten grensarbeider die volgens die bepaling uitsluitend in de werkstaat verzekerd is, dan wel of het recht op AOW gezien moet worden als een aanspraak die los staat van het verricht zijn van werkzaamheden in loondienst of het hebben voldaan aan verzekerings-voorwaarden zoals met name premiebetaling. Dat laatste (losstaan van verzekeringsvoorwaarden) was vermoedelijk [33] het geval bij het Duitse
Kindergeldin de zaak
Bosmann.
ongeachtpremiebetaling, dus louter op basis van inwonerschap, AOW-verzekerd was (zie r.o. 74, geciteerd in 4.6 hierboven).
inwonerschapwas (r.o. 73). Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering echter betoogd dat voor AOW-uitkeringen wel degelijk de voorwaarde van verzekerd zijn geldt en dat als arbeid in loondienst wordt verricht, ook vóór 1989 premiebetaling vereist was om in aanmerking te komen voor uitkering ter zake van die arbeidsjaren. Over de vraag hoe dit zit, moet u zelf beslissen, aldus het HvJ EU (zie de r.o. 73 en 74, geciteerd in 4.6 hierboven).
lex loci labori, gezien zijn duidelijke eerste antwoord.
rechtentoe te kennen, maar wel belet om die - EU-rechtelijk dus onverplichte - toekenning afhankelijk te stellen van nationale verzekerings
plichtenzoals met name premiebetaling. Duidelijk lijkt mij, gezien dit antwoord, dat Nederland van Giesen’s echtgenote niet (alsnog) premies kan vragen voor AOW-opbouw in 1988.
geringfügig Beschäftigteweliswaar enig inkomen uit betaalde arbeid hadden, maar niet veel, en geen inkomen zouden hebben gehad (en dus premievrij verzekerd zouden zijn geweest) als zij werkloos in Nederland waren gebleven en (v) de plicht van de nationale rechter om bij een interpretatiekeuze zoals de huidige tussen een duidelijke wettekst en een vermoedelijk andersluidende bedoeling van de wetgever zijn nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met de strekking van het EU-recht uit te leggen, [34] meen ik dat in casu de tekst van het BUB 1976 prevaleert.
Bosmann-situatie te hebben bevonden en dat Giesen daarom recht heeft op partnertoeslag op zijn AOW-uitkering voor de door zijn echtgenote vóór 1989 in Duitsland gewerkte periode.