Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
Op 8 april 2018 pleegden verdachte en zijn mededader openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten in Terneuzen. Zij schreeuwden boos en agressief, zwaaiden wild met de armen, maakten zich breed, omsingelden een agent met gebalde vuisten en trapten herhaaldelijk tegen diens fiets die deze voor zich hield. De politieagenten voelden zich bedreigd en haalden hun pepperspray tevoorschijn.
Het hof stelde vast dat deze gedragingen binnen een tijdsbestek van ongeveer tien minuten plaatsvonden en als één geheel van gedragingen moesten worden gezien. Het hof oordeelde dat deze gedragingen objectief als bedreigend konden worden ervaren en dat de openbare orde daardoor was verstoord. Dit vormde openlijke geweldpleging tegen personen in de zin van artikel 141 lid 1 Sr Pro.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld dat het gedrag als geweld moest worden aangemerkt. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof een juiste rechtsopvatting had gehanteerd en voldoende had gemotiveerd waarom sprake was van openlijk geweld.
Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen politieagenten.