Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
‘Uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. (Vgl. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941.)
Van uitbuiting in de context van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9°, Sr is niet slechts sprake als het verrichten van seksuele handelingen plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, maar ook als de wijze waarop degene die een ander dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van (vrijwillig) verrichte seksuele handelingen meebrengt dat die bevoordeling plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
In deze vaststellingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat, gelet op de wijze waarop de verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar werkzaamheden in de prostitutie, die bevoordeling heeft plaatsgevonden onder omstandigheden waarbij de in de context van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9°, Sr vereiste uitbuiting kan worden verondersteld. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat het Hof niet heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] haar werkzaamheden in de prostitutie onvrijwillig verrichtte.
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 februari 2020.