Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ten onrechte en in weerwil van een gevoerd verweer heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de tenlastegelegde periode het slachtoffer meermalen heeft meegenomen met het oogmerk haar in een ander land (Duitsland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor derden tegen betaling en het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als mensenhandel.
relaas van bevindingen van verbalisanten:
relaas van bevindingen van verbalisanten:
verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:
het hof begrijpt:) Charleroi, (…)
als verklaring van verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:
verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:
Bewijsoverwegingen
medegenomennaar Duitsland
met het oogmerk haar ertoe te brengenzich in dat land te prostitueren en dat er, zo begrijpt het hof de stelling van de raadsman, ook overigens geen sprake is van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft er in dit verband op gewezen dat [slachtoffer 1] en de andere in de woning in Vaals aanwezige vrouwen allen meerderjarig zijn en dat zij hebben verklaard vrijwillig in Duitsland in de prostitutie werkzaam te zijn en niet door een ander of anderen daartoe worden gedwongen.
kort gezegd-
prostitutie
BFK: is) van
medenemenin de zin van het onderhavige wetsartikel.
het oogmerkheeft gehad om [slachtoffer 1] in een ander land, te weten in Duitsland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. De verdachte heeft, door [slachtoffer 1] in Roemenië te benaderen, haar af te halen van het vliegveld in Charleroi en het daaropvolgende vervoeren van [slachtoffer 1] , faciliterende activiteiten verricht waardoor hij [slachtoffer 1] telkens feitelijk de gelegenheid heeft geboden om in Aken - wetende dat zij aldaar werkzaam was in de prostitutie - seksuele handelingen tegen betaling te kunnen verrichten.
gedragingen, begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld,leidt het hof in het bijzonder af uit het volgende:
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen (onder
NJ2016/315), evenwel een additioneel bestanddeel in de delictsomschrijving ingelezen:
Stb. 645, waarbij art. 273a Sr (oud) is ingevoerd:
NJ2016/315 m.nt. Van Kempen. [22] Ook hij vraagt zich af hoe de uitleg van Uw Raad zich tot de verplichting tot strafbaarstelling uit het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen van 1933 verhoudt.
NJ2010/598 m.nt. Buruma relevant achtte voor het antwoord op de vraag of van ‘uitbuiting’ sprake was. Uw Raad noemde daarin ‘de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’ als relevante factoren. Op het moment van aanwerven, medenemen dan wel ontvoeren behoeft de tewerkstelling nog niet te zijn begonnen en behoeft daaruit nog geen economisch voordeel te zijn behaald. [23] Daarom kan in de context van deze delictsomschrijving naar het mij voorkomt beter gesproken worden van de voorwaarde dat de gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij (toekomstige) uitbuiting kan worden verondersteld dan van uitbuiting als impliciet bestanddeel. [24]
NJ2002/546, waarin sprake was van werkzaamheden in de prostitutie, heeft Uw Raad aangegeven dat uit de wetsgeschiedenis van art. 250ter Sr (een voorganger van art. 273f Sr) moest worden afgeleid dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid. Dat lijkt een beter handvat in situaties als de onderhavige. Richtsnoer bij de vaststelling of de gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, is dan of er ten tijde van het aanwerven, medenemen of ontvoeren voldoende tekenen zijn dat de betrokkene in een dergelijke uitbuitingssituatie verkeert of zal komen te verkeren. [26]