ECLI:NL:HR:2020:2092
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premieplicht voor volksverzekeringen zonder verrekening buitenlandse premies
Belanghebbende, werkzaam als rijnvarende op een binnenvaartschip, was in 2014 deels in dienst bij twee Luxemburgse werkgevers. Over de periode 1 januari tot 16 november 2014 werden Luxemburgse socialeverzekeringspremies ingehouden. De Sociale Verzekeringsbank gaf A1-verklaringen af die stelden dat Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing was.
De Inspecteur hief over deze periode premie volksverzekeringen in Nederland, terwijl belanghebbende vrijstelling vroeg voor de periode 17 november tot 31 december 2014. Het hof oordeelde dat belanghebbende premieplichtig was in Nederland en bracht de in Luxemburg betaalde premies in mindering op de Nederlandse premie.
De Hoge Raad stelde in cassatie dat deze verrekening in strijd is met Europese verordeningen en nationale wetgeving. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof, behoudens de beslissingen over griffierechten en proceskosten, en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bevestigt het vonnis van de rechtbank dat geen verrekening van Luxemburgse premies met Nederlandse premie volksverzekeringen plaatsvindt.