Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Ten geleide
2.De Nederlandse verzekerings- en premieplicht
BNB2019/44 [6] volgt dat de inspecteur en de belastingrechter gebonden zijn aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring, ook als die verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat. Blijkt zij later onjuist of ongeldig te zijn of ingetrokken te worden, dan kan zo nodig een op die preliminaire gebondenheid gebaseerde en daarom onjuiste uitspraak herzien worden. U overwoog:
BNB2019/45 [8] zag u af van beantwoording omdat de eerste vraag al in HR
BNB2019/44 was beantwoord en de feitelijke grondslag van de tweede vraag niet vast stond:
BNB2020/144 [9] volgt dat als de SVB geen A1-veklaring heeft afgegeven (en een andere lidstaat evenmin), de inspecteur op basis van artt. 57 en 58 Wfsv zelf moet bepalen of een belanghebbende verzekerings- en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. U overwoog:
nietin de plaats van het Rijnvarendenverdrag:
Toepassingsverordening 987/2009 (niet te verwarren met art. 16 Basisverordening Pro; zie 4.14 hieronder) bevat een ‘regularisatie’procedure voor de reguliere aanwijzing van de toepasselijke wetgeving, dus de aanwijzing volgens de hoofdregel van art. 13 Basisverordening Pro 883/2004:
Basisverordening 883/2004 (niet te verwarren met art. 16 van Pro de
Toepassingsverordening; zie 4.10 hierboven) biedt lidstaten de mogelijkheid om ‘in onderlinge overeenstemming’ af te wijken van de aanwijsregels van art. 13 Basisverordening Pro. Art. 16(1) luidt:
5.Rechtspraak
Vaststelling van de toepasselijke sociale-verzekeringswetgeving door de SVB
definitieveeenzijdige vaststelling van de toepasselijke sociale-zekerheidswetgeving op basis van een vermoeden, maar
voorlopigevaststellingen als bedoeld in art. 16 Toepassings Pro-verordening mogen zijns inziens ‘wel op vermoedens worden gebaseerd, als en voor zover werknemers en werkgevers binnen hun bewijsdomein tekortschieten in het verstrekken van relevante informatie’. Op basis van art. 14(5)(bis) Toepassingsverordening 987/2009 en de Praktische Gids van de Administratieve Commissie kwam de CRvB tot het oordeel dat de zetel van het bedrijf zich in Cyprus bevond: de voornaamste beslissingen werden daar genomen en daar werden ook de centrale bestuurstaken uitgeoefend. Van een brievenbus of een zuivere payroll-situatie was geen sprake. De CRvB overwoog dat het enkele feit dat een vennootschap haar statutaire zetel verplaatst om elders in aanmerking te komen voor gunstiger wetgeving, geen bedrog of misbruik oplevert en onder de vrijheid van vestiging valt. Hij concludeerde dat aan de hand van art. 13 Basisverordening Pro 883/2004 jo. art. 14(8) en (10) Toepassingsverordening 987/2009 moest worden beoordeeld of de rijnvarenden een substantieel deel van hun werkzaamheden hadden verricht in hun woonland Nederland en dat voorlopig moest worden vastgesteld of zij verplicht verzekerd waren in Nederland. Over de Rijnvarendenovereenkomst merkte de CRvB nog op:
BNB2019/44 [38] (zie 2.6 hierboven) volgt dat een A1-verklaring van de SVB de inspecteur en belastingrechter bindt, ook als er tegen die A1-verklaring nog procedures lopen. Die gebondenheid aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring betekent dat de inspecteur premie volksverzekeringen kan heffen wanneer op grond van die A1-verklaring het Nederlandse sociale verzekeringsrecht van toepassing is, ongeacht of een andere lidstaat ook voor dezelfde periode van dezelfde belanghebbende (al dan niet terecht) premies heeft geheven en ongeacht of de SVB terecht het Nederlandse sociale verzekeringsrecht van toepassing heeft verklaard. Die gebondenheid betekent daarmee ook dat geschillen over de aanwijzing van het toepasselijke sociale verzekeringsrecht niet kunnen worden voorkomen of hersteld door de inspecteur of de belastingrechter (maar alleen door de SVB en de sociale-zekerheidsrechter) en dat het proces tot herstel van dubbele heffing niet kan worden geïnitieerd door de inspecteur (maar alleen door de SVB) en niet kan worden beoordeeld door de belastingrechter (maar alleen door de sociale-zekerheidsrechter).
Toepassing van het Rijnvarendenverdrag of de Rijnvarendenovereenkomst als een EU/EER-lidstaat geen partij is bij dat Verdrag of die Overeenkomst
X en Van Dijk [39] voor het Hof van Justitie van de EU (HvJ) betroffen rijnvarenden die in Nederland woonden, in dienst waren bij een in Luxemburg gevestigde werkgever, en werkten op een binnenvaartschip dat voornamelijk op de Rijn voer. De Luxemburgse autoriteiten hadden hen een E101-verklaring gegeven die de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg op hen van toepassing verklaarde op grond van Basisverordening 1408/71. De vraag was of zo’n E101-verklaring andere lidstaten kan binden als de rijnvarenden onder het Rijnvarendenverdrag vallen. Uit het HvJ-arrest volgt dat tot 1 mei 2010 uit art. 7(2)(a) Basisverordening 1408/71 en artt. 10quater t/m 11bis, 12 bis en 12 Toepassingsverordening 574/72 voortvloeit dat voor Rijnvarenden die onder het Rijnvarendenverdrag vallen (omdat zij in lidstaten wonen en werken die partij zijn bij dat Verdrag) niet de aanwijsregels van Basisverordening 1408/71 gelden, maar exclusief die van het Rijnvarendenverdrag, alsmede dat op basis van die niet-toepasselijke verordening afgegeven E101-verklaringen voor andere lidstaten niet bindend zijn:
BNB2015/231 [40] betrof een rijnvarende in de zin van art. 1(m) Rijnvarendenverdrag die in 2009 in Nederland woonde en die werkte aan boord van een binnenvaartschip in Nederlandse eigendom. Tot 24 juli beschikte het schip over een Rijnvaartverklaring die de Luxemburgse werkgever als exploitant vermeldde. De belanghebbende was van januari 2009 t/m 30 september 2009 in dienst bij een in Luxemburg gevestigde werkgever en van 1 oktober 2009 t/m 31 december 2009 bij een in Cyprus gevestigde werkgever. De belanghebbende wenste vrijstelling van premies volksverzekeringen omdat hij zijns inziens tot 1 oktober 2009 verzekerd was in Luxemburg op grond van het Rijnvarendenverdrag en vanaf 1 oktober 2009 in Cyprus op grond van Basisverordening 1408/71. Het Hof overwoog onder meer dat, nu de belanghebbende rijnvarende was, het op hem toepasselijke sociale verzekeringsstelsel moest worden bepaald op basis van het Rijnvarendenverdrag. Dat Cyprus geen partij was bij het Rijnvarendenverdrag achtte het Hof niet relevant omdat Cyprus zich had geconformeerd aan Basisverordening 1408/71, dus ook aan art. 7(2) van die Verordening, dat bepaalde dat het Rijnvarendenverdrag op rijnvarenden van toepassing blijft. Het Hof achtte de belanghebbende daarom op grond van art. 11(2) Rijnvarendenverdrag vanaf 24 juli 2009 verzekerd in Nederland. De belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte het Rijnvarendenverdrag ook in de verhouding met Cyprus van toepassing had geacht. Ik concludeerde dat art. 7(2)(a) Basisverordening 1408/71 voor rijnvarenden voorrang geeft aan de toewijzingsregels van het Rijnvarendenverdrag, maar dat uit niets de bedoeling blijkt om die voorrang ook te doen gelden in de verhouding tot lidstaten die geen partij bij het Rijnvarendenverdrag zijn. De term ‘blijven (van toepassing)’ in art. 7(2)(a) Basisverordening 1408/71 wees mijns inziens eerder op het tegendeel. Ik beschreef drie mogelijke benaderingen, geen van drieën ideaal, reden om u prejudiciële vragen aan het HvJ EU te suggereren: [41]
acquis communautaire, waaronder de toewijzingsregels van Vo. 1408/71 die zeggen dat het RVV van toepassing blijft. Art. 11(2) van dat RVV wijst uitsluitend toe aan ‘Verdragsluitende Partijen’ (zie de tekst in onderdeel 5.4), dat wil zeggen aan RVV-partijen. Aanvaarding van art. 7 Vo Pro. 1408/71 door Cyprus betekent dus dat Cyprus heeft aanvaard dat voor Rijnvarenden uitsluitend de sociale-zekerheidswetgeving van één van de RVV-Staten kan worden aangewezen. De Verordening geeft immers voorrang aan de toewijzing in het RVV en die toewijzing wijst uitsluitend naar RVV-partijen. Deze benadering ligt niet voor de hand omdat zij nog veel verder gaat dan doen alsof Cyprus wél RVV-partij zou zijn geworden. Zij impliceert immers dat ook als exploitant én werkgever én Rijnvarende in Cyprus gevestigd zijn, toch niet (nooit immers) aangesloten kan worden bij het Cypriotische stelsel omdat het RVV nooit toewijst aan niet-RVV-partijen. Deze benadering impliceert ook dat – ongeacht de feiten – nooit van toepassing kon of kan zijn het stelsel van (destijds mede-EEG-
founding father) Italië en later de stelsels van alle later toegetreden niet-RVV-lidstaten, zélfs niet als niet alleen de Vo.-regels naar die niet-RVV-Staat wijzen, maar ook het RVV zelf naar die Staat zou wijzen als hij wél RVV-partij was geweest.
BNB2015/231 merkte ik op dat het mij onder het huidige recht, na de inwerkingtreding op 1 mei 2010 van de nieuwe Basisverordening 883/2004, uitgesloten lijkt dat de vervolgens eind 2010 gesloten Rijnvarendenovereenkomst lidstaten kan binden die daarbij geen partij zijn:
BNB2015/231) achtte het duidelijk dat onder het oude recht het Rijnvarendenverdrag van toepassing was en daarom de sociale verzekeringsplicht aan Nederland was toegewezen, hoezeer ook Cyprus geen partij was bij het Rijnvarendenverdrag. Hij vond het zelfs ‘merkwaardig’ dat de partijen zich niet hadden afgevraagd of het wel relevant was dat Cyprus geen partij was bij het Rijnvarendenverdrag:
X. en Van Dijkaf te leiden dat het HvJ iets gezegd zou willen hebben over het niet aan hem voorgelegde geval waarin de werkgeverstaat geen partij is bij het Rijnvarendenverdrag. De werkgever in
X. en Van Dijkwas gevestigd in een lidstaat die daarbij wél partij was (Luxemburg) en de prejudiciële vraag van het Hof Den Bosch aan het HvJ ging ook alleen over dat geval.
NTFR2015/2689 als volgt:
X en Van Dijk; PJW) over art. 6 zegt Pro naar mijn opvatting echter niet dat het Verdrag Rijnvarenden op basis van art. 7 Verordening Pro (EEG) 1408/71 geldt voor lidstaten die geen partij zijn bij het verdrag. Bij r.o. 46 zegt het hof wel ongeclausuleerd dat Rijnvarenden niet vallen binnen de werkingssfeer van Vo. 1408/71. Dit kan echter ook te maken hebben met het feit dat in beide casussen de positie van een andere lidstaat die geen partij is bij het Verdrag Rijnvarenden geen rol speelde.
Verrekening van elders onbevoegd geheven premies volksverzekeringen
BNB2020/144 in 2.8 hierboven) en om – als Basisverordening 883/2004 en Toepassingsverordening 987/2009 van toepassing zijn – een regularisatieprocedure ex art. 16 Toepassingsverordening 987/2009 te volgen, alsmede om ex art. 73 Toepassingsverordening 987/2009 de niet-bevoegde lidstaat die ten onrechte premies heeft geheven te vragen die premies aan haar over te maken. De belastingrechter komt geen oordeel toe over de vraag of de SVB de proceduregels, waaronder art. 6, 16 en 73 Toepassingsverordening 987/2009, in acht heeft genomen. Het lijkt mij dat ook de SVB erop toe moet zien dat aan haar verzoek ex art. 73(2) Toepassingsverordening 987/2009 tot overmaking van de door de niet-bevoegde Staat geheven premies gehoor wordt gegeven.
BNB2020/142 (zie 5.12 hierna) volgt (dan) ook dat de belastingrechter wél bevoegd is om te oordelen of er een rechtsgrond bestaat die de inspecteur verplicht tot verrekening als in meer dan één staat premies worden geheven van dezelfde persoon. Als art. 73(2) Toepassingsverordening 987/2009 rechtsgrond biedt voor verrekening én de niet-bevoegde lidstaat de aldaar onterecht ontvangen premies aan de SVB overmaakt, dan moet de inspecteur mijns inziens die overgemaakte premies verrekenen en moet de belastingrechter daarop toezien.
BNB2020/142 [44] betrof een Nederlander die in Nederland woonde en werkte op een schip in de Rijnvaart van een Nederlandse eigenaar. Hij was in loondienst bij een in Luxemburg gevestigd uitzendbureau. De SVB had de belanghebbende een A1-verklaring gegeven die op basis van de Rijnvarendenovereenkomst de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving aanwees voor de periode van 1 april 2012 t/m 31 december 2013. De Staatssecretaris betoogde in cassatie onder meer dat het als enige bevoegde Nederland niet verplicht was om ten onrechte in Luxemburg in die periode ingehouden premies te verrekenen met de in Nederland in die periode verschuldigde premies volksverzekeringen. U overwoog daarop:
BNB2021/53 [46] betrof een Nederlandse Rijnvarende op wiens loon Cypriotische sociale-verzekeringspremies waren ingehouden, maar voor wie de SVB een A1-verklaring had afgegeven die de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving aanwees. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende verzekerd en premieplichtig was in Nederland en dat de belastingrechter gebonden is aan de A1-verklaring, maar had wel de door Cyprus ingehouden premies in mindering gebracht op de in Nederland verschuldigde premies. Het Hof had daartoe als volgt overwogen: [47]
BNB2020/142, r.o. 4.3.1. t/m 4.3.10. Dat arrest ging echter over een geval waarin de werkgeverstaat Luxemburg was, een Rijnoeverstaat die partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst. Cyprus is bij die Overeenkomst echter geen partij.