Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
(rov. 9.4).
4.Beslissing
28 september 2018.
Hoge Raad
In deze civiele zaak gaat het om geluidsoverlast door contactgeluiden tussen appartementen in een complex dat in 2012 is opgeleverd. De bovenburen, eisers, hebben een harde vloer aangebracht die volgens een akoestisch rapport niet voldoet aan de toen geldende geluidsisolatienorm van Ico +10 dB, vastgesteld in het huishoudelijk reglement van de VvE. De onderburen, verweerders, vorderen dat de bovenburen de vloer aanpassen om aan deze norm te voldoen.
De rechtbank wees de vordering toe en stelde een dwangsom vast. In hoger beroep erkenden de eisers aanvankelijk de geldende norm, maar stelden later dat een in 2015 gewijzigd huishoudelijk reglement een minder strenge norm van Ico +5 dB voorschrijft, waaraan zij voldoen. Het hof hield echter vast aan de oorspronkelijke norm en erkentenis, en bekrachtigde het vonnis.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de nieuwe feiten en stellingen in hoger beroep over de gewijzigde geluidsnorm. De erkentenis uit eerste aanleg kan niet zonder meer worden gehandhaafd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de nieuwe norm en feiten moeten worden betrokken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van nieuwe feiten over de geluidsisolatienorm.