ECLI:NL:HR:2020:480

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2020
Publicatiedatum
19 maart 2020
Zaaknummer
19/00498
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673b BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cao-regeling als gelijkwaardige voorziening en transitievergoeding

In deze zaak heeft verzoekster cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam waarin werd geoordeeld dat een cao-regeling die werknemers na twee jaar ziekte een suppletie en premievrije voortzetting van pensioen toekent, kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening in de zin van artikel 7:673b BW. Dit betekent dat in dat geval geen transitievergoeding verschuldigd is.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verzoekster beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij volstaan met een verwijzing naar de eerdere uitspraken van de kantonrechter en het gerechtshof en heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en verzoekster veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak is gedaan door de vicepresident en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Deze beschikking bevestigt dat cao-regelingen die een gelijkwaardige voorziening bieden in de zin van de wet, de verplichting tot het betalen van een transitievergoeding kunnen uitsluiten, wat van belang is voor de toepassing van de Wet werk en zekerheid (WWZ) in arbeidsrechtelijke geschillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen en de beschikking van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/00498
Datum20 maart 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: [verzoekster],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 6498950 EA VERZ 17-1056 van de kantonrechter te Amsterdam van 20 februari 2018;
de beschikking in de zaak 200.239.255/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 november 2018.
[verzoekster] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. ABN AMRO heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 879,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
20 maart 2020.