ECLI:NL:HR:2020:553

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
19/02657
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 WVW 1994Art. 457 lid 1 onder c Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken rechterlijke ontzegging rijbevoegdheid bij herziening

De aanvrager werd door de politierechter veroordeeld voor het rijden tijdens een rijontzegging, opgelegd op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De veroordeling betrof een taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Na de veroordeling werd echter vastgesteld dat de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen aan de aanvrager niet bij rechterlijke uitspraak was ontzegd. Dit betekende dat de aanvrager ten onrechte was veroordeeld voor het rijden tijdens een rijontzegging die feitelijk niet bestond.

Op grond van artikel 457 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering werd een aanvraag tot herziening ingediend. De Hoge Raad volgde de conclusie van de advocaat-generaal dat sprake was van een nieuw gegeven dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekte dat de aanvrager vrijgesproken zou zijn als dit gegeven bekend was geweest.

De Hoge Raad verklaarde de aanvraag gegrond, vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de aanvrager vrij van het ten laste gelegde. De verwijzing naar een lagere rechter werd achterwege gelaten omdat geen ander oordeel mogelijk was dan vrijspraak.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste en geldige rechterlijke ontzegging van de rijbevoegdheid als voorwaarde voor een veroordeling wegens rijden tijdens een rijontzegging.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigt het vonnis en spreekt de aanvrager vrij van het ten laste gelegde.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02657 H
Datum31 maart 2020
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017, nummer 96/164895-17, ingediend door J.P. Sanchez Montoto, advocaat te 's-Gravenhage,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter heeft de aanvrager ter zake van “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat achteraf bezien aan de aanvrager de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen niet bij rechterlijke uitspraak was ontzegd, zodat de aanvrager in de uitspraak waarvan herziening is gevraagd niet had kunnen worden veroordeeld vanwege het besturen van een motorijtuig gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017 zal vernietigen en de aanvrager zal vrijspreken van het tenlastegelegde.
3.2
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens lid 1 aanhef en onder c van artikel 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv.
4.3
De aanvraag is dus gegrond. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017 zal worden vernietigd en de aanvrager alsnog van het hem tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal deze verwijzing achterwege blijven en zal de Hoge Raad zelf de aanvrager vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- vernietigt de uitspraak waarvan herziening is gevraagd;
- spreekt de aanvrager vrij van het hem tenlastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 maart 2020.