Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
In een en ander ligt als het oordeel van het hof besloten dat de omstandigheid dat de overheid met het oog op de opsporing een praktijk heeft gedoogd waarin (onder meer) de verdachte door middel van strafbare gedragingen in het kader van het invoeren, doorvoeren en afleveren van drugs opbrengsten kon behalen, het strafbare karakter aan die gedragingen ontneemt, zodat niet bewezen kan worden dat de betreffende opbrengsten ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn als bedoeld in artikel 420bis en 420quater Sr. Dat oordeel is onjuist. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid kan wel van betekenis zijn voor de vervolgbaarheid van het feit. In uitzonderlijke gevallen kan immers het instellen of het voortzetten van de vervolging onverenigbaar zijn met beginselen van een goede procesorde. In verband met de vervolging ter zake van witwassen kan zo’n uitzonderlijk geval zich bijvoorbeeld voordoen wanneer die vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd ter zake van een door de verdachte begaan misdrijf, terwijl de vervolging van de verdachte ter zake van witwassen betrekking heeft op - in artikel 420bis of 420quater Sr genoemde - gedragingen van de verdachte met betrekking tot een voorwerp dat uit dat specifieke misdrijf afkomstig is. (Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742.)
3.Beslissing
7 april 2020.