Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Den Haag uit 2013, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor het verspreiden van kinderporno. De aanvraag is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uit 2019, waarin is vastgesteld dat de aanvrager tijdens politieverhoren in 2009 geen rechtsbijstand werd verleend, wat een schending vormt van artikel 6 lid 1 en Pro lid 3 onder c van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De advocaat-generaal concludeerde dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond moest verklaren en de zaak moest verwijzen naar een ander hof voor hernieuwde behandeling. De Hoge Raad oordeelde dat de schending van het recht op rechtsbijstand tijdens de politieverhoren de eerlijkheid van de procedure heeft aangetast en dat rechtsherstel noodzakelijk is. Daarom werd de aanvraag tot herziening gegrond verklaard, werd de tenuitvoerlegging van het hofarrest opgeschort indien nodig, en werd de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting.
De uitspraak benadrukt de verplichting van de staat om rechtsherstel te bieden wanneer het EHRM een schending van het EVRM vaststelt en bevestigt dat de Hoge Raad in dergelijke gevallen een herzieningsprocedure moet toestaan om de eerlijke procesgaranties te waarborgen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting.