Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meermalige verduistering van aanzienlijke geldbedragen van een toneelvereniging gedurende een periode van zes jaar. Tijdens het hoger beroep voerde de verdachte het verweer dat hij handelde uit psychische overmacht, veroorzaakt door een bedreigende relatie met een vrouw die hem onder dwang geld eiste.
De verdediging stelde dat de verdachte onder ernstige dreiging stond, waaronder wapengebruik, en dat dit hem noopte tot het onrechtmatig toe-eigenen van geld. Dit verweer werd ondersteund door verklaringen van de verdachte en zijn raadsman, die tevens wees op bewijsmateriaal zoals chatberichten en een WhatsApp-spraakbericht.
Het hof heeft echter nagelaten om op dit verweer een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te geven, zoals vereist op grond van de artikelen 358 en 359 van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is het cassatiemiddel gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en afdoening, waarbij het hof alsnog op het verweer moet beslissen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het verweer van psychische overmacht moet worden beoordeeld.