“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als de op 6 maart 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer] (waarbij het hof begrijpt dat daarin steeds in plaats van 2016 het jaartal 2017 dient te worden gelezen):
Ik ging op 26 februari 2017 naar [A] . We hebben daar tot in de vroege ochtend feest gevierd. Op een gegeven ogenblik gingen we weg, vroeg in de ochtend. Ik heb geprobeerd [betrokkene 1] en de beveiligers uit elkaar te halen. Het ging goed met mij tot dat moment. Daarna werd alles zwart. Ik werd wakker in het Erasmus Medisch Centrum.
Ik heb twee dagen op de Intensive Care van het Erasmus gelegen, daarna ging ik naar een normale afdeling. Ik ben overgebracht naar het Sint Franciscus, waar ik ben verpleegd van dinsdag 28 februari tot donderdag 2 maart 2017.
2. Een geschrift, inhoudende medische informatie/een letselbeschrijving d.d. 22 maart 2017, opgesteld en ondertekend door de forensisch arts (…). Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
[slachtoffer]
Letse/beschrijving en conclusie
Anamnese en onderzoek:
Informatie ontvangen van neuroloog Erasmus MC over opname op IC van 26-02-2017 t/m 27-02-2017.
Er was een breuk links achterop de schedel welke doorliep naar de zijkant
Er was een stolsel onder de breuklijn. Er waren kneuzingshaarden in de hersenen.
Vanwege de bloeding in de hersenen werd betrokkene opgenomen op de IC, omdat hij frequent gecontroleerd moest worden om in de gaten te houden of de bloedingen niet zouden uitbreiden. Betrokkene werd overgeplaatst naar het Sint Franciscus Gasthuis op 27-02-2017
Geschatte genezingsduur Tenminste 6 weken.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 26 februari 2017 omstreeks 05:00 uur heeft er een mishandeling plaatsgevonden ter hoogte van horecaonderneming [A] gevestigd aan de [a-straat] te Rotterdam.
De getuige [betrokkene 2] kon mij, verbalisant, het volgende verklaren:
Ik ben taxichauffeur. Ik denk dat het ongeveer 04:45 uur a 05:00 uur was. Ik had mijn taxi geparkeerd aan de zijde van [B] in een parkeervak aan de [a-straat] te Rotterdam. Ik had zicht op de uitgang van horeca-onderneming [A] . Mijn aandacht ging naar de uitgang bij [A] daar escaleerde het. Ik zag dat er verschillende mensen stonden. Er stonden denk ik 3 a 4 mensen. Ik zag dat een man bij een magere man stond. Ik zag dat die man gekleed was in een zwart colbert en een zwarte broek. Ik zag dat die man met een zwart colbert een klap gaf tegen de magere jongen aan. Ik zag dat die magere jongen op de grond viel en op de grond bleef liggen. Ik zag dat de man met het zwarte colbert zich direct na klap omdraaide en naar [A] liep. Ik heb het vermoeden dat hij daar als portier werkt, omdat hij zich direct omdraaide en naar binnen liep bij [A] . Ik zag dat de magere jongen nog steeds stil op de grond lag.
4. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2018 verklaard – zakelijk weergegeven –:
Ik herken mijzelf op de beelden als degene gekleed in het zwart. Op 26 februari 2017 werkte ik voor [A] . Ik ken de benadeelde partij van vroeger. Hij probeerde langs mij te lopen in de richting van [A] . Op dat moment waren wij met drie portiers. Ik duwde hem van mij weg. Vervolgens heb ik hem een klap gegeven. Ik heb hem met mijn hand op zijn gezicht geraakt. Hij is toen neergevallen. Ik ben gelijk naar binnen gegaan.
5. De
eigen waarnemingvan het hof.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2019 op de tijdens die terechtzitting getoonde camerabeelden waargenomen – zakelijk weergegeven –: