Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift en medeplegen van witwassen. De criminele organisatie had geld verkregen uit oplichting van banken en dit witgewassen via diverse rekeningen en aankopen.
De verdachte stelde onder meer dat de bewijsvoering omtrent valsheid in geschrift onjuist was en voerde bezwaren aan tegen de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. De Hoge Raad verwierp deze middelen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid opriepen.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vijftien maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde de nieuwe straf vast op veertien maanden en drie weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot veertien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.