ECLI:NL:HR:2020:83

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
20 januari 2020
Zaaknummer
18/03440
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 225.1 SrArt. 225.2 SrArt. 420bis.1.a SrArt. 420bis.1.b Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak deelname criminele organisatie en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift en medeplegen van witwassen. De criminele organisatie had geld verkregen uit oplichting van banken en dit witgewassen via diverse rekeningen en aankopen.

De verdachte stelde onder meer dat de bewijsvoering omtrent valsheid in geschrift onjuist was en voerde bezwaren aan tegen de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. De Hoge Raad verwierp deze middelen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid opriepen.

Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vijftien maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde de nieuwe straf vast op veertien maanden en drie weken gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot veertien maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03440
Datum21 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2018, nummer 23/003300-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en drie weken bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2020.