Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
19 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging doodslag op een bijna vierjarig meisje door verwurging, gepleegd tussen 29 juli en 2 augustus 2016. De verdachte heeft het slachtoffer gedurende minimaal 15 seconden omsnoerende en samendrukkende krachtsinwerking op de hals gegeven, waardoor de afvloed van aderlijk bloed werd belemmerd. Medisch forensisch onderzoek toonde aan dat bij een kind de dood zeer snel kan intreden bij dergelijk geweld.
De verdediging voerde in hoger beroep vrijwillige terugtred aan, stellende dat de verdachte op eigen initiatief de poging heeft gestaakt door het slachtoffer los te laten, en dat er dus geen voltooide poging was. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat het enkele loslaten van de hals niet geschikt was om het intreden van de dood te beletten, mede omdat de verdachte geen openheid van zaken gaf over de gebeurtenissen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte niet voldoende waren om vrijwillige terugtred aan te nemen, omdat het misdrijf feitelijk voltooid was en het stoppen met de uitvoeringshandelingen niet geschikt was om het gevolg te voorkomen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd van vier jaar naar drie jaar en tien maanden. Het beroep in cassatie wordt verder verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor poging doodslag en vermindert de straf tot drie jaar en tien maanden gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.