Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
(gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers),
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Conclusie ten aanzien van de administratie.
6.Beperkingen en gebruik verspreidingskring.
- IB 2006 tot en met 2011 van [X1] ;
- OB 2006 tot en met 2009 van [X1] , en
- OB 2010 en 2011 van de VOF.
4.1 Financiële administratie
niet juist of summier op de inkoopbon omschreven zijn:
niet volledig in de administratie opgenomen zijn. De uitgeschreven bon wordt niet in de administratie opgenomen of er wordt in het geheel geen inkoopbon uitgeschreven.
niet voor het juiste bedrag in de administratie opgenomen zijn.
de op de bon vermelde verkoper verklaarde deze goederen niet te hebben geleverd.
- Contante inkopen en uitgaven zijn niet op de juiste datum in de financiële administratie geboekt:(…)
- Kasmutaties hebben wel de juiste datum, maar zijn in het kas-journaal voor een eerdere of latere datum opgenomen (…).
- Contante opnamen van de bank zijn wel in het bankboek verantwoord maar niet in het kas-journaal (…).
- Leveringen van goud aan de firma [A B.V.] zijn ten onrechte als contante ontvangsten geboekt in het kas-journaal:(…)
Kosten die in rekening worden gebracht door de firma [A B.V.] worden verrekend met de ontvangsten met betrekking tot de levering van goud aan [A B.V.] . Deze kosten zijn in een aantal gevallen ten onrechte als contante betalingen in het kas-journaal verwerkt (…).
5.Theoretische omzetberekening (…)
6.Omzetbelasting
- de inkoop van de goederen die hij met toepassing van de margeregeling kan verkopen gescheiden administreren van de overige inkopen (ook bij toepassing van globalisatie);
- de verkoop van goederen waarop hij de margeregeling toepast gescheiden administreren van de overige verkopen (ook bij toepassing van globalisatie);
- zijn administratie zo voeren dat hij aan de hand daarvan de winstmarge per goed kan vaststellen.
9.Vereiste aangiften niet gedaan
bedragvan de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens. Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant. Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [A B.V.] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering [X V.O.F.] , (…)).
III.) het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren.
(V.)Het hof is dan ook van oordeel dat [X3] ten aanzien van het opnemen van (gegevens zoals vermeld op) deze vervalste bonnen het register (in zoverre) valselijk heeft opgemaakt. (…)
hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 28 december 2009, in de gemeente [Z] , een deel van de bedrijfsadministratie ten name van eenmanszaak [Y] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen:
[X V.O.F.] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente [Z] , een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [X V.O.F.] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [X V.O.F.] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt:
(VI.)Ten aanzien van [X1] blijkt niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken.
- met daarin opgenomen valse inkoopbonnen;
- zonder vermelding van inkopen,
[verdachte] in de periode van 29 december 2009 tot en met 20 september 2011 in de gemeente [Z] , een deel van de bedrijfsadministratie, ten name van [verdachte] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [verdachte] toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt:
3.Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep
IVen onder de bewezenverklaring). Tevens staat in het arrest dat [X3] door het opnemen van gegevens van vervalste bonnen in het inkoopregister in de periode 1 januari 2011 tot en met 20 september 2011 dit register in zoverre valselijk heeft opgemaakt (zie 2.25.1 onder
Ven onder de bewezenverklaring). Naar het oordeel van het Hof kan reeds op grond hiervan de conclusie worden getrokken dat de Administratie - die immers in de periode waarop de litigieuze navorderingsaanslagen, naheffingsaanslagen, primitieve aanslagen en Boeten betrekking hebben is vervalst - niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. (Correct opgemaakte) inkoopbonnen vormen in de Administratie immers een onderdeel dat van essentiële betekenis is om de jaarwinst vast te kunnen stellen.
VI), ten aanzien van belanghebbende niet blijkt van gedragingen die hem tot (mede)pleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen, dan wel tot feitelijk leidinggever van het valselijk opmaken van het registerboek in 2011 maken - doet aan de in de vorige rechtsoverweging getrokken conclusie niet af. Zoals uit de feiten blijkt werkte [X3] tot eind 2009 in de eenmanszaak als medewerker van belanghebbende en vanaf eind 2009 als firmant in de VOF. Dat belanghebbende de feitelijke vervalsingen niet (zelf) verrichtte neemt geenszins weg dat de Administratie in de betreffende jaren onbetrouwbaar was.
Tot slot is van betekenis dat [H B.V.] concludeert dat de Administratie “aan daaraan wettelijk en bedrijfseconomisch te stellen eisen” voldoet (zie 2.17), maar niet aangeeft aan welke wetsbepalingen zij de Administratie getoetst heeft. In ieder geval rept het rapport met geen woord over fiscale wetsbepalingen. Gelet op deze alles bij elkaar genomen gebrekkige onderbouwing van het rapport, in ieder geval wat betreft de onderhavige belastingprocedure, kan de conclusie dan ook geen andere zijn dan dat de rapportage van [H B.V.] niets afdoet aan ’s Hofs onder 5.2.10 gegeven oordeel.
II).
Brutowinst 100%
(zie controlerapport onder 5.6)
(zie tabel hierna onder 5.9.2)
Aangegeven winst
Geschatte belastbare winst
I(en begint met “ [X3] wordt verweten (…)”), is het naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar voor de inspecteur om bij diens ‘gemotiveerde schatting’ van de ‘inkopen zoals die uit de Administratie blijken’, uit te gaan. Hierbij neemt het Hof in beschouwing dat de inkopen - bij het volgen van belanghebbendes standpunt - in ieder geval niet voor een te hoog bedrag in aanmerking worden genomen (zodat bijgevolg het ophogen van de inkopen met een aanvaardbaar brutowinstpercentage in ieder geval niet tot een te hoge schatting van de winst leidt).
waardevan de
omzet’ (onderstreping door Hof) voor een te hoog bedrag in de Administratie voorkomt (als van de hypothese zou worden uitgegaan dat de omzet voor een juist bedrag in de Administratie zou zijn verwerkt), maar dat de winst nog steeds op basis van de kostprijs van de ‘inkopen’ - conform de tabel onder 5.3.2 (rij 1) - kan worden geschat. De inspecteur - zo begrijpt het Hof - gebruikt evenvermeld citaat als een extra argument voor de conclusie dat de Administratie onbetrouwbaar is.
VI) op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de Administratie. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vervolgens op basis van die Administratie aangiften IB doet is het Hof van oordeel dat belanghebbende - minst genomen - zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond - en hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen; vgl. HR 29 februari 2008, nr. 43274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346) - dat de aangiften IB over de in geschil zijnde jaren voor wat betreft de aangegeven belastbare winsten onjuist waren, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen (vgl. HR 31 januari 2003, nr. 37511, ECLI:NL:HR:2003:AE8092)
- De boete wordt niet verminderd indien deze minder bedraagt dan € 200. In dat geval wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
- In alle andere gevallen wordt de vermindering bepaald met behulp van de volgende tabel:
Totaal(zie ook 5.3.2 controlerapport)
Belaste omzet
Na te heffen OB bij [X1]
Belanghebbende heeft ook niet voldaan aan artikel 28b jo artikel 28i Wet OB jo artikel 31, lid 5, tweede volzin, Uitv. Besch. OB. Immers hij heeft allereerst niet op zodanig duidelijke en overzichtelijke wijze en met vermelding van zodanige bijzonderheden aantekening gehouden, dat aan de hand daarvan de door hem over een bepaald belastingtijdvak verschuldigde belasting kan worden vastgesteld. Voorts heeft hij met betrekking tot het ingekochte sloopgoud en andere ingekochte goederen zijn boekhouding niet op zodanige wijze gevoerd dat aan de hand daarvan het verband tussen inkoop en verkoop kan worden vastgesteld. Reeds daarom heeft belanghebbende geen recht op toepassing van de marge- en globalisatieregeling.
Specifiek voor de globalisatieregeling ex artikel 28d Wet OB jo artikel 4c, lid 1, onder a, Uitv. Besch. OB komt daar nog bij dat - ook al zou veronderstellenderwijs ervan uitgegaan worden dat de margeregeling wel door belanghebbende toegepast kan worden - de goederen die belanghebbende inkoopt niet opgesomd staan in artikel 4c, lid 1, onder a, Uitv. Besch. OB en niet gesteld of gebleken is dat de inspecteur belanghebbende heeft aangewezen als bedoeld in artikel 4c, lid 1, onder b, Uitv. Besch. OB. Reeds om deze redenen is de globalisatieregeling niet van toepassing.
6.Proceskosten
7.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover die betrekking heeft op de aanslag Zvw 2011, de boeteschikking OB 2009, de veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van € 300,60, de veroordeling van de Minister voor Rechtsbescherming (thans: Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade in de beroepsfase van € 900, de veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade in de bezwaarfase van € 3.600, en de vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep van € 167;
- verklaart de beroepen gegrond voor zover die betrekking hebben op de boetebeschikkingen IB;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de hierna vermelde boetebeschikkingen IB;
- vermindert de boetebeschikkingen IB als volgt:
- verklaart de beroepen overigens ongegrond, en
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende inzake het hoger beroep tot een bedrag van € 1.312,50.