Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
26 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor belaging, bedreiging en poging tot uitlokking van moord. Het hof had vastgesteld dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord waren, waardoor hij niet in staat was zijn belangen behoorlijk te behartigen. Op grond hiervan werd een raadsman aangewezen die verplicht was op te treden.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de aangewezen raadsman echter niet daadwerkelijk als raadsman opgetreden: hij droeg geen toga, zat op de publieke tribune, sprak niet namens de verdachte en verliet de zittingszaal voorafgaand aan het requisitoir. Hierdoor werden de belangen van de verdachte niet adequaat behartigd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onder deze omstandigheden de zaak niet had mogen behandelen en het onderzoek ter terechtzitting niet had mogen sluiten. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat bij een beslissing ex artikel 509a Sv de behandeling achter gesloten deuren moet plaatsvinden, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en afdoening door het hof Den Haag.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens niet-optreden van de aangewezen raadsman.