Conclusie
Nummer21/04933
Inleiding
De zaak
Het eerste middel
Adviseur en quasi commissaris [betrokkene 3] wonende te Hilversum.Nu de RB haar uitspraak baseert op een opmerking van [betrokkene 3] dat [verdachte] de touwtjes stevig in handen had en de RB dit uitlegt als dat [verdachte] dus op de hoogte was van de valsheden, dient [betrokkene 3] nader te worden gehoord om zijn uitspraak verder toe te lichten. [betrokkene 3] verkocht ook de trustportefeuille van [G] aan [betrokkene 1] en [verdachte] . In deze portefeuille bevonden zich inhouse doorstroomvennootschappen en naar dit model zijn later de handelstakactiviteiten binnen [A] ontplooid. [betrokkene 3] verklaarde bij de RC dat deze activiteiten mede toezagen op geldstromen naar taxhavens. [betrokkene 3] kan derhalve verklaren als deskundige nu de RB bijvoorbeeld stelt dat documenten vals zijn omdat de Nederlandse vennootschap de werkzaamheden niet zelf uitvoerde en ook niet op de faktuur vermeldde dat een derde deze werkzaamheden uitvoerde. [betrokkene 3] kan als specialist verklaren over het gangbare rulingbeleid, aangezien de RB stelt dat het ontbreken van een ruling een red flag is.”
verzoek tot het horen van [betrokkene 3] als getuige en/of deskundige wordt afgewezen, omdat [betrokkene 3] reeds is gehoord door de rechter-commissaris en het hof de noodzaak tot een hernieuwde ondervraging van [betrokkene 3] gelet op de onderbouwing niet is gebleken.”
Bostibijvoorbeeld aan dat het horen van de getuige op de terechtzitting per videoverbinding, terwijl de verdediging daarbij alle gelegenheid had gekregen om vragen te stellen, een voldoende behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid inhield. [9] In de zaak
Melnikovkwam het EHRM wel tot de conclusie dat een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid had ontbroken. [10] De verdachte was in die zaak – buiten de aanwezigheid van zijn raadsman – aanwezig geweest bij een confrontatieverhoor met de getuige, maar had bij die gelegenheid geen vragen gesteld. Het EHRM overwoog in dat verband dat het onwaarschijnlijk was dat de verdachte had begrepen dat dit de gelegenheid was om de getuige te ondervragen en twijfel te zaaien over zijn betrouwbaarheid. Verder wijs ik nog op de zaken
Paićen
Scholerwaarin de verdediging niet fysiek aanwezig was bij het verhoor, maar wel de kans had gekregen om vooraf vragen voor de getuige op schrift te stellen. [11] Deze indirecte manier van het uitoefenen van het ondervragingsrecht wordt door het EHRM niet gezien als een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid, maar als een “counterbalancing factor” voor het ontbreken daarvan. [12] De enkele omstandigheid dat de verdediging schriftelijke vragen heeft mogen stellen aan de getuige kan in zoverre dus niet leiden tot de conclusie dat gesproken kan worden van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid.
Het tweede middel
eveneens terugwijzing vordert, nu de verdachte niet de beslissing van de hoofdzaak door het hof verlangt.
geenraadsman, geen verdediging, een kernrol heeft vervuld of heeft kunnen vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, zonder dat daarvoor een legitimatie bestaat. De voorliggende situatie is exact de situatie waarin “een” raadsman ten onrechte niet op de hoogte is gebracht van dag en uur van een onderzoek ter terechtzitting.