Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
eerstemiddel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de verdediging niet de gelegenheid heeft gegeven het laatst te spreken.
voorzitterverklaart vervolgens - zakelijk weergegeven - :
raadsmanantwoordt - zakelijk weergegeven - :
raadsman- zakelijk weergegeven - :
voorzitterverklaart - zakelijk weergegeven - :
raadsmanantwoordt op vragen van de voorzitter - zakelijk weergegeven - :
De zitting wordt voor korte tijd onderbroken.
raadsmanvoert het woord overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd. Hij verklaart daarbij - zakelijk weergegeven - :
advocaat-generaalziet af van repliek.
De zitting wordt korte tijd onderbroken.
voorzittermede - zakelijk weergegeven -:
raadsmanverklaart desgevraagd dat hij zijn cliënt op de hoogte zal brengen van de datum en het tijdstip en dat hij met de voorgestelde gang van zaken instemt.
advocaat-generaalals de
raadsmanstemmen er voorts mee in dat de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop volgende uitspraak enkelvoudig zal worden gedaan, te weten door de oudste raadsheer, die die dag zitting heeft.
20 november 2020 te 13:30 uur.”
raadsman(…), niet verschenen.
voorzitterdeelt mede dat de zaak inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 22 oktober 2020. Op de zitting van 22 oktober 2020 is medegedeeld dat het hof extra tijd wenst te nemen voor het concipiëren van de uitspraak en dat de zaak daartoe zal worden aangehouden tot de zitting van vandaag, op welk moment het onderzoek zal worden gesloten.
voorzitterverklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.”
NJ2003/558. In deze zaak had de voorzitter, nadat de bepaaldelijk gemachtigd raadsman het woord tot verdediging had gevoerd, ‘aan geen der aanwezigen meer het woord gegeven’ en het onderzoek gesloten. De Hoge Raad oordeelde dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het hof aan de raadsman de bevoegdheid heeft onthouden om het laatst te spreken. Anders gezegd: als het OM heeft gerequireerd en de bepaaldelijk gemachtigd raadsman heeft gepleit terwijl het OM daarna niet heeft gerepliceerd, dan kan de raadsman worden geacht met zijn pleidooi het laatst te hebben gesproken.
NJ2005/502 had de voorzitter van het hof, nadat de bepaaldelijk gemachtigd raadsman het woord tot verdediging had gevoerd en de advocaat-generaal had afgezien van repliek, aan de advocaat-generaal gevraagd “of tegen het vonnis van de Rechtbank te Assen van 26 april 1994, waarbij de [A] B.V. failliet is verklaard, appèl is aangetekend”. Vervolgens had de advocaat-generaal, na schorsing en hervatting van het onderzoek ter terechtzitting, geantwoord dat er geen rechtsmiddel tegen het vonnis van de rechtbank was ingesteld en dat hij het schriftelijk bewijs daarvan in handen van de griffier zou stellen. Daarna had de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Ook in dit geval oordeelde de Hoge Raad dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het hof “aan de raadsman de bevoegdheid heeft onthouden om het laatst te spreken, in aanmerking genomen dat de mededeling van de Advocaat-Generaal slechts een antwoord inhield op een feitelijke vraag van het Hof en de raadsman niet heeft doen blijken daarna nog het woord te willen voeren”.
3.Het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte heeft verworpen, althans dat de verwerping van het beroep op noodweer voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich aan een nieuwe aanranding van [familie] op PD2 had kunnen en moeten onttrekken niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd, gelet op hetgeen door en namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, hetgeen (deels) steun vindt in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] .
Vast staat dat er een conflict is ontstaan tussen enerzijds [betrokkene 1] en anderzijds de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Hoewel er in het dossier aanwijzingen voor zijn dat de reden voor het conflict te maken heeft met criminele activiteiten aan beide zijden (afpersing in de horeca, handel in goud, drugs, anabolen en nep-medicijnen), heeft het onderzoek in deze zaak daarover geen duidelijkheid opgeleverd. Geen van de betrokkenen heeft over de achtergrond van het geschil een aannemelijke verklaring willen geven. Wel staat vast dat verdachte [betrokkene 2] , bijgenaamd [betrokkene 2] , op zondag 21 oktober 2012 in de horecagelegenheid [A] te Amsterdam flink is toegetakeld (gebroken neus, gekneusde vinger en gaten in het hoofd) door [betrokkene 1] , bijgenaamd “ [betrokkene 1] ”. [betrokkene 3] , de broer van [betrokkene 2] , is na de mishandeling direct naar Amsterdam gereden en wordt onderweg geflitst (...). [betrokkene 2] heeft zich in het ziekenhuis voor zijn verwondingen laten behandelen, maar heeft geen aangifte bij de politie gedaan.
Op 22 oktober 2012 stuurt [betrokkene 3] een bericht aan zijn vriend [betrokkene 4] (...): “Ik volg, maar [betrokkene 1] ga ik wel pakken. Ik kan niet wachten tot ik die flikker pak.” Op 23 oktober 2012 wordt er tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] acht keer telefonisch contact gezocht. Die dagen hebben [betrokkene 1] en verdachte veel telefonisch contact en op 24 oktober 2012 brengen ze een belangrijk gedeelte van de dag met elkaar door. Ze kennen elkaar van het trainen in de sportschool en als celgenoten in 2006 in de koepel te Haarlem. Verdachte weet van het probleem dat [betrokkene 1] heeft met de broers [familie] . Op 24 oktober 2012 is het laatste telefonisch contact tussen [betrokkene 1] en verdachte om 23.22 uur. Ze zijn dan nog in Amsterdam. Nadat [betrokkene 2] om 23.45 uur telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 1] (...), rijden [betrokkene 1] en verdachte in een Opel Signum van Amsterdam naar het Esso-pompstation aan de Hogering in Almere voor een ontmoeting met [betrokkene 3] .
[betrokkene 3] smst naar zijn goede vriend [betrokkene 5] om 00.32 uur: “Bid voor me, ik hou van je broer.”
De getuige [betrokkene 6] ziet dezelfde man als de eerste schutter (PD 1) met één been uit de witte auto staan. Het portier is open. Ze hoort meerdere schoten door elkaar. (...)
Op PD 2 worden, vlakbij de plaats waar de Fiat 500 heeft gestaan, 5 hulzen gevonden, een verwrongen kogelmantel met loden kogelkop en een wieldop Fiat 500 met schotinslag (...). Bij nader onderzoek blijken deze hulzen met hetzelfde wapen te zijn afgeschoten als de 7 hulzen op PD 1.
Voor het schieten in de tegenovergestelde richting, vanuit de Opel Signum naar de Fiat 500 zijn de volgende bewijzen:
- een inschot in de motorkap van de Fiat 500 (door een vervanging van het rechter portier konden mogelijke beschadigingen daar niet meer worden getraceerd);
AG: 2012) rond 00:30 uur nog steeds bij zich. Direct nadat [betrokkene 1] en verdachte, zittend in de Opel Signum van verdachte, op de hoek van de [a-straat] en de [c-straat] in Almere door [betrokkene 2] waren beschoten, zijn zij in de Opel weggereden. Eenmaal op de [b-straat] zagen [betrokkene 1] en verdachte de auto van [familie] bij de kruising met de [a-straat] staan. Verdachte bracht de Opel tot stilstand. [betrokkene 1] zou toen naar eigen zeggen hebben willen schieten met zijn zwarte pistool met geluiddemper, maar dit wapen weigerde dienst. Volgens [betrokkene 1] werd er vervolgens vanuit de auto (waarin hij alleen met verdachte zat) in de richting van de auto met [familie] geschoten. Hij deed dat niet zelf en over het wapen waarmee dat gebeurde en over wie dat wapen hanteerde wil [betrokkene 1] niet verklaren.
Het hof concludeert op grond van al deze feiten en omstandigheden, zoals hiervoor vastgesteld, dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 1] bij het schieten op [betrokkene 2] in de zin van medeplegen. Onder de gegeven omstandigheden is het immers slechts toeval dat het wapen van [betrokkene 1] niet en het wapen van verdachte wel goed functioneerde. Hun gezamenlijke opzet was gericht op dit schieten op PD 2, waarbij op zijn minst een aantal kogels op een zodanige plaats en hoogte terecht zijn gekomen, dat het slechts aan toeval te danken is dat de inzittende van de Fiat 500 niet dodelijk door die kogels is getroffen. Dat daarmee de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat [betrokkene 2] fataal letsel zou oplopen behoeft geen betoog. Verdachte heeft door zo met zijn medeverdachte [betrokkene 1] te handelen op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [betrokkene 2] door hun schoten gedood zou worden.
Noodweer(exces)
42. Noodweer impliceert verdedigend optreden. De intentie van een verdachte mag er niet op zijn gericht de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Mijn cliënt stelt zich op het standpunt dat hij meerdere verdachte auto's en personen rond PD 2 in de wijk heeft gezien. Hij kan zich tenminste 4 auto's herinneren die hem achtervolgden of opwachtten. Hij maakt daaruit op dat zij hem rond PD 2 in de val hebben laten lopen. Zij stonden hem gewapend op te wachten en hadden zich met een vooropgezet plan in de wijk gepositioneerd. Uit het dossier maakt hij op dat ook al bij het Esso tankstation auto's met opzet op afstand, buiten beeld van de camera's, zijn geparkeerd en [betrokkene 1] hebben opgewacht. Na PD 2 hebben auto's hem achtervolgd en op hem geschoten. Zij zochten duidelijk de aanval.
43. De aanval kwam op 25 oktober de hele avond van de familie [familie] . Bij het Esso pompstation zoekt [betrokkene 3] bijrijder [betrokkene 1] op en er ontstaat ruzie. De familie [familie] volgt de Opel en neemt die op PD 1 onder vuur. Mijn cliënt rijdt weg, de familie [familie] kiest wederom voor de aanval en snijdt de Opel op PD 2 af. Op PD 2 opent de familie wederom het vuur op mijn cliënt, waarna uit zelfverdediging wordt weggeschoten. Mijn cliënt rijdt vervolgens weg, wordt onderweg vanuit meerdere voertuigen nogmaals beschoten en pas als hij op een rotonde uit de bocht vliegt wordt de aanval door de familie [familie] gestaakt.
(AG: elkaar)zeiden, dossierpagina 22:
Onderzoek Samsung [betrokkene 4]Op donderdag 17 januari 2013 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op de [d-straat 1] te Almere, het adres van [betrokkene 4] , de mede vennoot van [B] . De doorzoeking werd verricht in verband met het onderzoek naar het in voorraad hebben van illegale geneesmiddelen en witwassen. Bij de doorzoeking werd de telefoon, een Samsung van [betrokkene 4] in beslaggenomen. Uit onderzoek naar de data in deze telefoon is gebleken dat op maandag 22 oktober 2012 omstreeks 21.35 uur er whatsapp berichten zijn tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] waarin
zegt [betrokkene 1] wel te gaan pakken waarop [betrokkene 4] reageert met oke zet je telefoons allemaal uit. Verder zegt [betrokkene 4] die […] hyena shit helemaal te haten.
Op 06 november (
Opmerking: Een dag na de bezichtiging / afspraak pseudokoop) pinged [betrokkene 4] dat de verzekering van de Fiat stopgezet kan worden. (
Opmerking:
Ten tijde van de schietincidenten was [betrokkene 4] de kentekenhouder van de Fiat welke betrokken was bij de incidenten.)
(AG: kabaal)hebben gemaakt. Mijn cliënt verklaart dan ook dat hij in paniek was en vervolgens – toen hij goed en wel besefte wat er gebeurde – half liggend onder zijn stuur en met hoge snelheid is weggereden. Die toestand wijst in de richting van de kwalificatie noodweerexces. Uit de camerabeelden van het Shell-pompstation blijkt dat eerst de Opel Signum wegrijdt van PD 2, 11 sec. later de VW Jetta en 5 sec. later de Fiat 500, deze laatste met lekke band en een benzinelek. Zodra dat mogelijk was, heeft mijn cliënt zijn weg dus vervolgd, gevolgd door de familie [familie] , die er nog geen genoeg van had.
Strafbaarheid van de verdachteStandpunt verdediging
Daarnaast heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er nóg een reden is waarom het beroep op noodweer verworpen dient te worden, namelijk omdat aan de subsidiariteitseis niet is voldaan. Verdachte had zich op PD2 - ervan uitgaande dat er op dat moment een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding was - aan die situatie kunnen en moeten onttrekken. Gelet op de feitelijke situatie ter plaatse bestond daartoe een reële mogelijkheid, te weten door hard, recht vooruit te rijden, langs het Shellstation de wijk uit. Waarom stond verdachte überhaupt stil als hij naar eigen zeggen bezig was de wijk uit te vluchten? Dit wijst erop dat verdachte wel kon, maar zich niet aan de situatie wilde onttrekken, aldus de advocaat-generaal.
Juridisch kader (o.a. volgend uit HR 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456))
noodweeris vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Oordeel hof:
Ter illustratie van de situering van de beide locaties PD1 en PD2 waarop de hierna volgende bespreking van de feiten die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) is toegespitst, is hieronder een in het strafdossier gevoegde situatiefoto opgenomen.
(…)
PD1 betreft de hoek [a-straat] en [c-straat] . De Opel Signum met verdachte als bestuurder en [betrokkene 1] als passagier heeft om ongeveer 00:37 uur in de [a-straat] geparkeerd op de hoek met de [c-straat] , vlakbij een doorgang naar de woning van de moeder van [betrokkene 1] aan het [e-straat 1] . De Fiat 500 met [betrokkene 2] als bestuurder is in de [a-straat] naast de passagierskant van de Opel Signum gestopt en is vervolgens achteruit gereden en achter de Opel gaan staan. [betrokkene 2] is daarop uit zijn auto gestapt en heeft met gestrekte arm meermalen in de richting van de Opel Signum geschoten. De Opel Signum is daarop hard weggereden en [betrokkene 2] is teruggelopen naar zijn auto. Op de hoek van de [a-straat] en de [c-straat] vindt de politie later 7 hulzen.
De Opel Signum is blijkens het proces-verbaal vervolgens weer in beweging gekomen (00:39:06.562 uur), op welk moment er een tweetal koplampen uit de [a-straat] , in de richting [b-straat] , verschenen. Dit laatste voertuig is stil blijven staan op de [a-straat] , net voor de kruising. De Opel Signum is de kruising over de [b-straat] met de [a-straat] gepasseerd, is langs het (Shell) tankstation in de richting van de Stedendreef gereden en vervolgens uit beeld verdwenen (00:39:25:437). Vlak daarna is op de beelden een op een grijskleurige Volkswagen Jetta gelijkend voertuig te zien. Dit voertuig kwam uit de richting van de [a-straat] en is linksaf
(AG: bedoeld zal zijn rechtsaf)de [b-straat] in geslagen, gaande in de richting van de Stedendreef (00:39:36:593). Het andere voertuig is nog enkele seconden blijven wachten en is daarna achter de twee eerder beschreven voertuigen aangereden (00:39:37:671). Dit betrof de Fiat 500 van [betrokkene 2] .
Duidelijk is dat over en weer is geschoten. Niet is komen vast te staan van welke zijde eerst is geschoten. Door getuigen zijn meerdere schoten door elkaar gehoord.
Bijna meteen nadat we stopten (het hof begrijpt: op PD1), zag ik een witte Fiat 500. Ik zag [betrokkene 2] (hof: dit is de bijnaam van [betrokkene 2] ) erin. [betrokkene 2] schoot een paar keer in onze richting. [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ) reed weg en ging de eerste straat rechts en weer rechts. De auto stopte plotseling (het hof begrijpt: op PD2). Ik pakte toen van onder mijn stoel mijn zwarte wapen. Ik probeerde te schieten in hun richting, maar het wapen deed het niet. [verdachte] had mijn raam open gedaan (...).”
We reden en de Opel stopte bij de tweede locatie. Ik zag twee auto ’s rechts van mij. Ik pakte mijn zwarte wapen onder de stoel vandaan. Ik heb mijn magazijn gepakt, laadde hem door en wilde schieten, maar het wapen deed het niet. Het raam was open. Ik heb dat wapen tussen mijn benen gezet en ben onderuit gezakt. Ik ben helemaal plat gegaan. Het derde wapen was niet van mij. Er was geen derde persoon in de auto”.
Gedragingen van verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer op grond van “culpa in causa”.
nietis voldaan. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door te vluchten. Anders dan de raadsman heeft bepleit bestond daartoe onder de gegeven omstandigheden voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zou vluchten.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt immers dat verdachte als bestuurder van de Opel Signum bij het wegrijden van PD1 verschillende opties had om zich uit de voeten te maken. Verdachte is de [b-straat] opgereden en is de kruising met de [a-straat] genaderd. In plaats van met vol gas rechtdoor te rijden, langs het Shell-tankstation, dan wel linksaf te slaan de Vlaardingenstraat in, heeft hij er echter voor gekozen in ieder geval 10 seconden stil te gaan staan. Over de reden daarvoor heeft verdachte zelf geen aannemelijke verklaring afgelegd. Dat hij was gestopt omdat hij de weg niet zou kennen, zoals de raadsman, heeft geopperd, lijkt het hof niet plausibel. Hij bevond zich immers in de auto met iemand die in deze buurt is opgegroeid en derhalve bekend is in de wijk. Bovendien was verdachte kort daarvoor via dezelfde weg de wijk in gereden.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte in paniek was en vervolgens, toen hij goed en wel besefte wat er gebeurde, half liggend onder het stuur met grote snelheid is weggereden. “Die toestand”, aldus de raadsman, “wijst in de richting van de kwalificatie noodweerexces”.
Verdachte is strafbaar aangezien ook van geen andere omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.’
NJ2016/316 m.nt. N. Rozemond uitgezette lijnen gevolgd. Dat geldt ook voor het onderwerp waarop het cassatiemiddel is toegespitst, te weten het onttrekkingsvereiste. In zijn overzichtsarrest bespreekt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5.2. het niet voldoen aan het onttrekkingsvereiste als een voorbeeld van het niet voldoen aan de voor noodweer geldende subsidiariteitseis. Startpunt is dat als er geen noodzaak is tot verdediging, niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. “Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken.” Het onttrekkingsvereiste houdt dus meer in dan dat de verdachte zich aan een (dreigende) aanranding dient te onttrekken (bijvoorbeeld door te vluchten) waar dat feitelijk/fysiek ook maar enigszins kan. Dat is een deel van het verhaal en vooral een feitelijke vraag. Het andere deel van het verhaal is dat het zich onttrekken aan de (dreigende) aanranding ook van de verdachte moet kunnen worden gevergd. Dat is een meer normatieve vraag naar wat van de verdachte in de bijzondere omstandigheden van het geval mag worden verlangd. [8] Onttrekking aan de aanranding kan bijvoorbeeld niet van de verdachte worden verlangd wanneer de situatie zo bedreigend is dat het zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. [9] In het geval de feitenrechter oordeelt dat het beroep op noodweer faalt omdat niet is voldaan aan het onttrekkingsvereiste, dient hij nader te motiveren dat van de verdachte daadwerkelijk mocht worden gevergd dat hij zich aan de situatie onttrekt. [10] Dat kan het geval zijn wanneer verdediging tegen de (dreigende) aanranding kan leiden tot ernstige gevolgen voor de aanrander of een ander (een omstander). Dan behoort de verdachte zich aan de situatie te onttrekken wanneer dat feitelijk ook mogelijk is.
NJ2015/258 gaat het om een zaak die zich afspeelt op een parkeerplaats bij een partycentrum. Evenals in de onderhavige zaak gaat het om twee opeenvolgende incidenten tussen dezelfde personen. Het hof heeft in die zaak geoordeeld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat hij na beëindiging van het eerste incident (een verbale woordenwisseling met het latere slachtoffer) zich aan verder agressief gedrag van het slachtoffer had dienen te onttrekken door in zijn auto te stappen en de parkeerplaats te verlaten door weg te rijden. Dat heeft de verdachte niet gedaan: hij is na het eerste incident in de richting van zijn auto gelopen en heeft, zo leid ik uit de conclusie van de AG af, een wapen uit zijn auto gepakt en is vervolgens teruggelopen in de richting van het partycentrum. [14] Vervolgens zoekt het (latere) slachtoffer de verdachte op, trekt een vuurwapen en bij het daarop volgende vuurgevecht met de verdachte raakt het slachtoffer dodelijk verwond. De verdachte beroept zich bij het hof, als gezegd: tevergeefs, op noodweer. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het beroep op noodweer niet toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Hij acht met name niet begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat na de beëindiging van de eerste ruzie sprake was van een dreigende (tweede) aanranding. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte weliswaar is teruggelopen in de richting van het partycentrum, maar dat het latere slachtoffer degene is die op de verdachte is afgelopen en dat uit de vaststellingen van het hof niet zonder meer volgt dat de verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg.
NJ2015/258 op twee cruciale punten mank. In de eerste plaats omdat er in de onderhavige zaak geen misverstand over kan bestaan dat de verdachte op basis van zijn ervaringen bij PD1 wist dat [betrokkene 2] over een vuurwapen beschikte en niet schuwde om daar gebruik van te maken. In de tweede plaats – belangrijker – omdat het hof in de onderhavige zaak de situatie op PD2 in wezen niet anders benadert dan die op PD1. Ik begrijp het arrest van het hof althans zo dat het hof er in beide situaties vanuit is gegaan dat de verdachte onverwacht is geconfronteerd met een aanranding. Hoewel het hof PD1 en PD2 als “onlosmakelijk met elkaar verbonden” aanmerkt en de incidenten als “één strafrechtelijk relevant voorval” beoordeelt, [15] heeft het hof geen verband gelegd tussen de beëindiging van de situatie op PD1 en de voorzienbaarheid van het ontstaan van de situatie op PD2. Daarmee ontgaat mij de conclusie die de steller van het middel verbindt aan de vergelijking met HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1243,
NJ2015/258. In het bijzonder ontgaat mij waarom het hof de verdachte alleen het niet in acht nemen van het onttrekkingsvereiste kan tegenwerpen wanneer het hof heeft vastgesteld dat de verdachte na het wegvluchten van PD1 rekening had moeten houden met een nieuwe aanranding. Die beperkte opvatting vindt geen steun in het recht.
U houdt mij voor dat uit onderzoek blijkt dat ik daar op enig moment zeventien seconden heb stilgestaan. Er stond daar toen een auto verdekt opgesteld en daar kwamen allemaal lichtflitsen vandaan. Ik was kort daarvoor beschoten en werd nu weer beschoten. (AG: cursivering door mij).
U houdt mij voor dat het op grond van onderzoeksresultaten voor de hand ligt, dat er met een Steyr is geschoten en dat mijn DNA is aangetroffen op een vuurwapen van het merk Steyr. Ik heb dat wapen vast gehad. Vanuit de auto waarin wij zaten, een Opel Signum, is geschoten. Ik heb daarbij de buitenkant van mijn hand verbrand. Het kogelwerende vest dat is aangetroffen is van mij.
hof: bestuurder Fiat) stond naast zijn auto. Ik zie hem de arm strekken en gelijk schieten. Ik zag de flitsen van het schieten.
Ik zag de Shell. Ik hoorde een inslag. (AG: cursivering door mij). Ik zag [betrokkene 1] twee pistolen onder zijn kleding vandaan halen.
Ik zag lichten van knallen op mij afkomen. (AG: cursivering door mij).[betrokkene 1] ging terugschieten. Vanuit de Fiat werd ook geschoten. De VW reed achteruit en kwam toen weer dichterbij. Ik reed met hoge snelheid weg. Ik werd achterna gezeten door de VW. Ik hoorde inslagen in de auto. De inslag in de voorruit van mijn auto was op de [b-straat] .”
eenverklaring heeft afgelegd over de reden waarom hij heeft stilgestaan. Er werd op hem geschoten. Aangezien het (eerste) hof deze passages over het stilstaan en het (ook op PD2) beschoten worden in de voor het bewijs gebezigde verklaringen heeft opgenomen, zou het oordeel van het (tweede) hof dat de verdachte “feitelijk (en ruimschoots)” de mogelijkheid had om weg te rijden om zo een nieuwe aanranding te voorkomen dan wel zich daaraan tijdig te kunnen onttrekken, volgens de steller van het middel onjuist en in elk geval onbegrijpelijk zijn.
aannemelijkeverklaring aan te merken. Doordat het (eerste) hof de verklaring over dat specifieke punt heeft opgenomen (of is het: heeft laten staan?) in de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte, heeft dat hof in de ogen van de steller van het middel ook de verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het stilzetten van zijn auto, redengevend bevonden voor het bewijs. In de ideale wereld waarin de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen conform art. 359 lid 3 Sv Pro (enkel) de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevat, zou die vlieger opgaan. Het komt echter met enige regelmaat voor dat in de bewijsvoering voor de bewezenverklaring niet redengevende bewijsmiddelen worden opgenomen. Op zichzelf hoeft dat niet tot cassatie te leiden. Het wordt lastiger als in de bewijsmiddelen feiten of omstandigheden staan, dan wel verklaringen worden opgenomen die de rechter
in het licht van de bewijsvoeringonaannemelijk of ongeloofwaardig acht. Dan ligt cassatie in de rede, tenzij de bewezenverklaring zonder meer en begrijpelijk kan worden gebaseerd op al het overige bewijsmateriaal. In een dergelijk geval wordt de verdachte geacht geen belang bij cassatie te hebben. [16]