Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten
3.Beslissing
13 juli 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak oordeelt de Hoge Raad over de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (OM) in de vervolging van een verdachte wegens weigering een CIE-informant als getuige op te roepen. Het hof had de informant als getuige toegewezen, maar het OM weigerde dit bevel uit te voeren vanwege een toezegging aan de informant dat hij alleen als bedreigde of afgeschermde getuige zou worden gehoord, terwijl de rechter dit niet had bevestigd.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 349 lid 3 Sv Pro bepaalt dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moet worden als het weigert een getuige op te roepen die niet als bedreigde getuige is aangemerkt, vanwege zwaarwegende opsporingsbelangen. Dit beschermt de anonimiteit van de informant, maar ontnam de verdediging en rechter de mogelijkheid tot ondervraging, wat het recht op een eerlijk proces raakt.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van het OM af en benadrukt dat de regeling van artikel 349 lid 3 Sv Pro niet in de weg staat aan het afzien van het bevel tot oproeping als op andere wijze recht kan worden gedaan aan het recht op een eerlijk proces. Tevens wordt bevestigd dat artikel 359a Sv niet van toepassing is op deze situatie, aangezien het hier gaat om een specifiek wettelijk voorschrift met een duidelijk rechtsgevolg.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens weigering een CIE-informant als getuige op te roepen.