Bij de uitspraak van het Hof in de vpb-zaak is de volgende annotatie verschenen van Rozendaal:
In deze zaak draait het om de vraag of de exploitatie van vastgoed als het drijven van een onderneming kwalificeert. Dit vraagstuk blijft de gemoederen nog altijd flink bezighouden. Zoals bekend spelen de feiten en omstandigheden een belangrijke rol.
Het hof volgt het oordeel van de rechtbank dat het in casu niet aannemelijk is dat de aard en de omvang van de werkzaamheden van de bv meer omvatten dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bij deze uitspraak heb ik de volgende observaties bij de wijze waarop het hof tot het oordeel komt dat de aard en de omvang van de werkzaamheden niet uitgaat boven het normale vermogensbeheer.
In de eerste plaats is van belang dat van meer dan normaal vermogensbeheer sprake is indien de arbeid ‘qua aard en omvang van zodanig belang is dat deze geacht kan worden ten doel te hebben het behalen van voordelen uit onroerende goederen, welke het aan een belegger in zodanige goederen normaliter opkomende rendement te boven gaan’ (HR 7 oktober 1981, nr. 20.733, BNB 1981/299). Zoals ik in mijn commentaar schreef bij de uitspraak van de rechtbank is een belangrijk aspect dat het gaat om de arbeid die zelf wordt verricht. Dit blijkt uit diverse uitspraken waarin de rechters dit expliciet aangeven. Zie bijvoorbeeld de uitspraken HR 1 september 1976, nr. 17.924, V-N 1976, p. 860, punt 13, HR 17 augustus 1994, nr. 29.755, BNB 1994/319, Hof Den Haag 10 april 1995, nr. 94/3007, V-N 1995/2799, HR 29 mei 1996, nr. 30.774, BNB 1996/232, Hof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2017, nrs. 16/00538 t/m 16/00547, NTFR 2017/532 (r.o. 4.6), Hof Den Haag 19 juli 2017, nr. 16/00373, NTFR 2017/2109 (r.o. 5.3) en Hof Amsterdam 27 maart 2018, nr. 16/00526 (r.o. 5.3.4). Ook volgens de fiscale wetgever is het zelf verrichten van arbeid een relevante factor, zo valt af te leiden uit de wettekst van art. 3.91, lid 1, onderdeel c, Wet IB 2001: ‘het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak’. In dit verband kan ook worden gewezen op de evaluatie van de Belastingherziening 2001 (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 375, nrs. 1-2, p. 242), waaruit blijkt dat bij de afbakening tussen normaal vermogensbeheer en meer dan normaal vermogensbeheer het zelf verrichten van werkzaamheden (mede) bepaalt of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. In het kader van de bespreking van de vermogensrendementsheffing bij box 3-beleggers wordt opgemerkt dat het laten verrichten van onderhoud het directe rendement drukt omdat de kosten niet meer aftrekbaar zijn. In de voetnoot bij deze passage wordt echter opgemerkt dat als het groot onderhoud aan een onroerende zaak in belangrijke mate zelf wordt verricht, dat deze onroerende zaak dan verplicht in box 1 wordt geplaatst. Het feit dat iedere belegger van tijd tot tijd groot onderhoud moet (laten) verrichten brengt dus niet automatisch mee dat er nooit sprake kan zijn van meer dan normaal vermogensbeheer. Het al dan niet zelf verrichten van de arbeid met betrekking tot de onroerende zaken is dus een relevante factor bij de beoordeling of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Indien echter feitelijk zou vaststaan dat iedere belegger in vastgoed het property-management zelf verricht, dan is er geen reden om te spreken van meer dan normaal vermogensbeheer. Dit standpunt lijkt de inspecteur ook in te nemen (zie onderdeel 3.3 van de hofuitspraak). Dergelijke werkzaamheden zijn volgens de inspecteur namelijk inherent aan het beheren van een vastgoedportefeuille van een dergelijke omvang en bij dit type onroerende zaken. Dit standpunt lijkt rechtstreeks afkomstig te zijn uit de Praktijkhandreiking bedrijfsopvolging vastgoedexploitanten(NTFR 2017/19). Het hof neemt deze stelling kennelijk voor waar aan, zo volgt uit onderdeel 4.4 van de hofuitspraak. Uit de uitspraak valt echter niet af te leiden of en in hoeverre de juistheid van deze stellingname daadwerkelijk is ondersteund met feiten. Mijns inziens kan eraan getwijfeld worden of het feitelijk wel juist is dat iedere belegger in vastgoed het property-management zelf verricht. De feiten lijken immers eerder op het tegendeel te wijzen. Zo zijn er in Nederland talloze professionele vastgoedbeheerders c.q. property-managers actief die het property-management verrichten voor vastgoedbeleggers (volgens de website van de belangenbehartiger Vastgoedmanagement Nederland gaat het op zijn minst om meer dan honderd vastgoedbeheerders). Indien alle beleggers in vastgoed het property-management zelf zouden verrichten, zouden deze partijen niet kunnen bestaan. Het lijkt dus niet aannemelijk dat iedere belegger in vastgoed het property-management zelf verricht. Nu het zelf verrichten van werkzaamheden op grond van de hiervoor genoemde vaste jurisprudentie een relevante factor is, is het hof wel erg makkelijk en naar mijn mening dan ook ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de stelling van de inspecteur.
Een tweede punt betreft het rendement. Volgens het hof kan het door belanghebbenden genoemde langetermijnrendement op onroerende zaken dat is genoemd in de wetsgeschiedenis van het Belastingplan 2016 en wordt gebruikt om het box 3-rendement te bepalen, niet als vergelijkingsmaatstaf worden gehanteerd, omdat geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort onroerende zaken. Naar mijn mening is deze vergelijkingsmaatstaf echter geschikter dan de IPD Nederlandse Vastgoedindex waar de inspecteur naar verwijst. Het box 3-rendement is immers het enige rendement waarvan onmiskenbaar vaststaat dat dit het rendement vertegenwoordigt dat gelijk is aan het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement. De wetgever is dus kennelijk van mening dat iedere belegger in vastgoed, ongeacht de aard van het vastgoed, op de lange termijn een gemiddeld rendement van 4,25% behaalt. Indien men dus over een reeks van jaren een hoger rendement kan laten zien, dan kan dat dus licht werpen op de vraag of sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Het gebruik van de rendementen van de IPD Nederlandse Vastgoedindex is mijns inziens niet wenselijk, aangezien dit stuit op drie bezwaren:
i. Het staat volstrekt niet vast dat deze rendementen louter zijn behaald met activiteiten die in fiscale zin als normaal vermogensbeheer kwalificeren.
ii. De IPD Nederlandse vastgoedindex vertegenwoordigt slechts een beperkt deel (ca. 30%) van het totale vastgoed in Nederland, zo blijkt uit P.L.C. Hilbers en R.G.M. Nijskens, ‘Het nut van een vastgoedindex voor het toezicht’, in De Vastgoedindex op waarde geschat, Stichting ROZ Vastgoedindex Nederland, 2016.
iii. Uit voornoemd document blijkt voorts dat de IPD Nederlandse Vastgoedindex alleen het vastgoed vertegenwoordigt dat in bezit is van institutionele partijen.
Kortom, naar mijn mening ligt het meer voor de hand om een rendement waarvan onmiskenbaar vaststaat dat dit het rendement bij normaal vermogensbeheer vertegenwoordigt als vergelijkingsmaatstaf te hanteren, dan een rendement dat een niet-representatief beeld geeft. Overigens moet gezegd dat het hof de IPD Nederlandse vastgoedindex zelf ook niet hanteert als maatstaf. Nu er op de rendementsberekeningen van belanghebbenden kennelijk het nodige valt aan te merken, kan het hof volstaan met het oordeel dat belanghebbenden niet aan de bewijslast hebben voldaan op dit punt.
Al met al een uitspraak met een voor belanghebbenden onbevredigende uitkomst. Het lijkt erop dat het in het kader van de bewijslastverdeling van groot belang is om niet alleen inzichtelijk te maken wat de aard en de omvang van de werkzaamheden is die zelf worden verricht, maar ook feiten en omstandigheden aan te dragen die licht werpen op de aard en de omvang van de werkzaamheden die een doorsnee belegger in vastgoed verricht. Doet men dit niet, dan loopt men het risico dat de rechter de stelling van de inspecteur daaromtrent overneemt en op basis daarvan een oordeel velt.