ECLI:NL:HR:2021:1352
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen verrekening buitenlandse bronbelasting artiest via werkmaatschappij
Belanghebbende, een artiest en directeur van een houdstermaatschappij die een werkmaatschappij aanstuurt, verzocht om verrekening van buitenlandse bronbelasting geheven over gages die de werkmaatschappij ontving voor buitenlandse optredens. De werkmaatschappij ontving gages en betaalde kosten, terwijl belanghebbende inkomsten uit managementvergoeding en andere bronnen ontving.
De buitenlandse bronbelasting werd deels verrekend met vennootschapsbelasting van de werkmaatschappij en houdstermaatschappij, maar een deel bleef onverrekend. Belanghebbende wilde een deel van dit onverrekende bedrag verrekenen met zijn inkomstenbelasting, maar de Inspecteur wees dit af. Het Hof oordeelde dat alleen de werkmaatschappij recht heeft op verrekening van de buitenlandse bronbelasting die op haar is geheven en verwierp het beroep van belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de middelen van belanghebbende. De Hoge Raad stelde dat de verrekeningsmethode uit het OESO-modelverdrag en het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting alleen geldt voor de belastingplichtige aan wie de belasting is opgelegd. De stelling dat artiest en werkmaatschappij als één belastingplichtige moeten worden gezien, werd verworpen. Ook het beroep op eerdere arresten over de vrijstellingsmethode faalde omdat hier de verrekeningsmethode van toepassing is.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de artiest wordt ongegrond verklaard; hij kan de buitenlandse bronbelasting geheven over de werkmaatschappij niet verrekenen met zijn inkomstenbelasting.