Conclusie
1.Overzicht
BNB2007/142, 143 en 144, waarin u het aan buitenlandse sportprestaties toerekenbare deel van het (basis)salaris van sporters in dienstbetrekking vrijgesteld achtte op grond van art. 16 OESO Pro-Model 1963. Die arresten gelden volgens hem
mutatis mutandisook in zijn geval, waarin de toepasselijke belasting-verdragen weliswaar niet in vrijstelling, maar wel in verrekening voorzien, zodat de buitenlandse bronbelasting over de aan [B] betaalde gages niet alleen bij [B] of Holding kan worden verrekend, maar ook – voor zover bij die vennootschappen onverrekenbaar – met de door de belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting. De Rechtbank heeft dat standpunt afgewezen, overwegende dat het verband tussen belanghebbendes vaste salaris van Holding en zijn buitenlandse optredens minder sterk was dan het verband in HR
BNB2007/142, 143 en 144 tussen de salarissen betaald door de wielerploeg/voetbalclub/ schaatssponsor en de buitenlandse sportprestaties van de renners/voetballers/schaatser, nu belanghebbendes salaris ook ziet op directievoering, royaltybeheer en sponsoractiviteiten en in omvang niet meebeweegt met de gages uit buitenlandse optredens.
juridischedubbele belasting die ontstaat als twee Staten over hetzelfde tijdvak en hetzelfde inkomen heffen bij dezelfde belastingplichtige. Daarvan is geen sprake, aldus het Hof, nu van verschillende personen ( [B] en de belanghebbende) is geheven door de bronstaten, en niet bij beiden over dezelfde gages. Geen rechtsregel voorziet in overdracht van verrekeningsrecht aan een andere persoon, aldus het Hof. Voor
economischedubbele belasting, zoals in casu, bieden de Verdragen geen soelaas. Het officiële commentaar bij art. 17 OESO Pro-Model maakt dat volgens het Hof niet anders.
BNB2007/142, 143 en 144 niet gelden voor de belanghebbende. Die arresten zeggen dat de door sportploegen/werkgevers aan hun sporters/werknemers betaalde (basis)salarissen worden beschouwd als (in Nederland vrijgestelde) inkomsten verkregen door die sporters uit hun persoonlijke optreden als zodanig in het buitenland als die sporters contractueel verplicht zijn deel te nemen aan de buitenlandse sportactiviteiten; niet van belang was of die gages in het buitenland ook specifiek als zodanig belast waren.
beidepersonen wordt belast. Die passage gaat niet over internationale dubbele belasting, maar over eenzijdige dubbele belasting in de bronstaat van (een deel van) hetzelfde inkomen uit optredens bij zowel de artiest als de contractueel gerechtigde. Die passage zegt niet dat de door de bronstaat bij de ene persoon geheven belasting door de woonstaat bij de andere persoon zou moeten worden verrekend. Het OESO-commentaar 2014 is bovendien hooguit van secundair interpretatief belang voor de in casu relevante verdragen, nu zij van vóór 2014 stammen.
middel (i)strandt mijns inziens. Het gaat kennelijk uit van vereenzelviging van de artiest en zijn
artiste company. Ik meen echter dat noch art. 17 OESO Pro-Model, noch het OESO-commentaar die twee vereenzelvigt. Art. 17 OESO Pro-Model bemoeit zich überhaupt niet met de vraag wie voor de inkomsten belastingplichtig is in de woonstaat (als de genieter maar Verdragsinwoner is), maar wijst de inkomsten aan de bronstaat toe uitsluitend op basis van de
aarden de
plaatsvan de prestatie waarvoor betaald wordt: het wijst alle gages in verband met persoonlijk (publieks)optreden van sporters en artiesten toe aan de bronstaat, ongeacht wie er contractueel toe gerechtigd is en ongeacht wie het optreden contracteert. Uit de OESO-commentaren op art. 17 OESO Pro-Model volgt dat lid 1 drie stromen gages voor sportieve/artistieke prestaties treft, nl. de gages die (i) rechtstreeks toekomen aan de sporter/artiest, of (ii) via diens werkgever (
team/orkest) aan hem/haar toekomen, of (iii) contractueel aan iemand anders toekomen maar volgens een nationale doorkijkbepaling
geachtworden toe te komen de sporter/artiest. Voor al deze gevallen is lid 2 niet nodig omdat lid 1 al toewijst aan de bronstaat. Lid 2 is slechts bedoeld voor bronlanden die geen nationale doorkijkbepaling hebben; het is zelf geen doorkijkbepaling en bemoeit zich niet met de vraag wie de gage geniet, omdat het dat irrelevant verklaart. Lid 2 is een antimisbruikbepaling die moet voorkomen dat gages voor persoonlijke optredens van artiesten/sporters aan heffing in de bronstaat ontsnappen als zij contractueel toekomen aan een ander.
artiste companywaarvan art. 17 OESO Pro-Model niet uitgaat: art. 17 OESO Pro-Model morrelt juist niet aan de subjectieve toerekening van de inkomsten, omdat die niet ter zake doet.
wiebelastingplichtig c.q. voorkomingsgerechtigd is in de woonstaat (als de genieter maar Verdragsinwoner is, en zowel de belanghebbende als zijn BV’s zijn Verdragsinwoner) en het OESO-commentaar dat kennelijk aan nationaal recht overlaat, is mijns inziens nationaal recht beslissend, zodat de arresten HR
BNB2007/142, 143 en 144 inderdaad relevant zijn. Uit die arresten volgt dat (een deel van) het basissalaris dat aan een artiest betaald wordt door diens werkgever wordt aangemerkt als inkomsten uit persoonlijk artistiek optreden ex art. 17(1) OESO-Model - en dus wordt toegewezen aan de bronstaat, zodat de woonstaat voorkoming moet geven - als het (i) naar de bedoeling van de sporter/artiest en zijn werkgever een beloning is voor dat persoonlijke optreden in de bronstaat en (ii) de artiest zich jegens zijn werkgever verplicht heeft tot dat optreden. Onder ‘persoonlijke werkzaamheden als zodanig’ ex art. 17 OESO Pro-Model valt volgens u ook de ‘tijdsbesteding die met dat publieksgerichte optreden samenhangt, zoals trainingen, beschikbaarheidsdiensten, reizen en noodzakelijk verblijf, voorzover (…) in dezelfde staat als het optreden’. Dat geldt zélfs als in de bronstaat geen publieksoptreden of wedstrijd, maar alleen training en sponsorpromotie plaatsvindt. Anders dan de Rechtbank meende, is een ‘rechtstreeks verband’ tussen het salaris en specifieke optredens als artiest dus niet vereist, en is niet beslissend dat belanghebbendes salaris in omvang niet meebewoog met de buitenlandse gages.
BNB2007/142, 143 en 144. Dat acht ik rechtskundig onjuist. Het Hof had moeten onderzoeken of de belanghebbende zich jegens Holding verplicht had om in het buitenland buiten de VS op te treden en welk deel van belanghebbendes salaris,
if any, volgens de arbeidsovereenkomst tussen Holding en hem bedoeld was als beloning voor zijn persoonlijke optredens als DJ (inclusief sponsor, reclame- en royalty-activiteiten) in de bronstaten.
BNB2007/142, 143 en 144 betroffen niet verrekening maar vrijstelling, zodat niet ter zake deed of de bronstaten daadwerkelijk hadden geheven, laat staan ten name van wie. Nu het in casu gaat om verrekening van in de bronstaten daadwerkelijk geheven belasting, kan er geen twijfel over bestaan dat de bronstaten de gages aan hen toegewezen achtten én belast hebben, zodat zich geen heffingsvacuüm kan voordoen, integendeel: ook als Nederland verrekent, is de belanghebbende of [B] steeds onderworpen aan de hoogste nationale effectieve belastingdruk. Met de belanghebbende meen ik daarom dat niet ter zake doet dat HR
BNB2007/142, 143 en 144 de vrijstellingsmethode betroffen; de rechtsregel is dat de artiest/werknemer recht heeft op voorkoming van dubbele belasting als zich de feitelijke (contractuele) constellatie voordoet die zich in die arresten voordeed. Dat moet de feitenrechter dus onderzoeken.
BNB2007/142, 143 en 144: (i) de gages worden ontvangen door [B] , terwijl de belanghebbende bij Holding in dienst is; (ii) hij is DGA van zijn werkgever en dus een tweede hand op dezelfde buik; (iii) [B] en Holding hebben al een deel van de bronbelasting verrekend; en (iv) met één van de bronstaten (Chili) heeft Nederland geen belastingverdrag. Ad (i): dit sluit geenszins uit dat belanghebbende jegens Holding verplicht is de door [B] gecontracteerde
gigspersoonlijk te doen en dat het salaris van Holding er (mede) toe strekt die
gigste vergoeden. Ad (ii): de feitenrechter zal op dit punt waakzaam moeten zijn met betrekking tot de realiteit en zakelijkheid van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst. Ad (iii): als nagenoeg het hele salaris volgens het arbeidscontract is bedoeld als vergoeding voor buitenlandse optredens, is mogelijk te veel verrekend bij [B] en Holding. Die eventuele complicatie zullen de partijen denkelijk onderling kunnen oplossen, waarbij van de woonstaat uiteraard niet gevergd kan worden dat hij bij twee personen (deels) dezelfde bronbelasting verrekent, nu na één keer verrekening in zoverre geen dubbele belasting meer bestaat. Ad (iv): uit art. 13 BvdB Pro volgt niet dat relevant is op wiens naam de bronstaat over gages voor optredens heeft geheven, noch dat HR
BNB2007/142, 143 en 144 niet geldt als het BvdB in plaats van een Verdrag tot verrekening noopt, terwijl de toelichting op art. 13 BvdB Pro wil aansluiten bij het Verdragsbeleid, zodat mijns inziens voor de Chileense gage hetzelfde geldt als voor de gages uit de Verdragsverrekeningsstaten.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten en het geschil
ten laste van [B]ingehouden bronbelasting, maar de belanghebbende bestrijdt dat in cassatie: hij ziet juist als kern van zijn stellingen dat de buitenlandse belasting niet alleen ten laste van [B] is ingehouden, maar tevens ten laste van belanghebbendes inkomen.
vrijstellingverplicht. Met de in 2.4 genoemde landen (behalve Chili) is Nederland echter
verrekeningovereengekomen voor inkomsten voor sportieve en artistieke prestaties (zie 5.3 hieronder). Met Chili is geen belastingverdrag overeengekomen. Over de niet in 2.4 genoemde gages uit verdragslanden waarmee Nederland vrijstelling is overeengekomen, bestaat geen geschil.
federal income tax. In 2015 is van de belanghebbende aldus € 490.156
US taxgeheven, die door Nederland is verrekend bij de belanghebbende.
BNB2007/142 [3] , 143 [4] en 144 [5] , over een beroepswielrenner, een beroepsvoetballer en een beroepsschaatser, waarin u oordeelde dat het aan hun buitenlandse contractuele activiteiten toerekenbare deel van hun basissalaris van hun werkgever/sponsor was vrijgesteld onder het toenmalige art. 17 OESO Pro-Modelverdrag. De belanghebbende acht die arresten
mutatis mutandis(verrekening in plaats van vrijstelling) van toepassing op belanghebbendes geval. De buitenlandse bronbelasting kan daarom zijns inziens niet alleen verrekend worden met de door [B] en Holding verschuldigde Vpb, maar ook – voor zover die Vpb onvoldoende verrekeningsgrondslag biedt – met de door de belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting.
NLF2019/1693) acht het evident dat de belanghebbende de bronbelasting over de aan [B] betaalde gages niet kan verrekenen. Hij begrijpt de vergelijking met HR
BNB2007/142, 143 en 144 niet omdat in die zaken vaststond dat de vergoedingen voor bepaalde sportprestaties aan de sporters in persoon werden betaald; niet aan een door hen beheerste vennootschap (F BV is [B] ):
Optredens buiten de VS: overeenkomstige toepassing arresten Hoge Raad van 9 februari 2007?
NTFR2019/2520) heeft meer begrip voor belanghebbendes standpunt, maar acht vereenzelviging fiscaal-juridisch onjuist. Wel ziet hij, anders dan de Rechtbank, een vergelijkbaar verband tussen belanghebbendes loon en zijn buitenlandse optredens als tussen het basissalaris van de sporters en de sportieve prestaties in HR
BNB2007/142, 143 en 144, nu belanghebbendes loon uit de inkomsten uit buitenlandse optredens werd betaald:
juridischedubbele belasting, zodat het verrekeningsrecht gebonden is aan de persoon die de inkomsten heeft genoten en niet overdraagbaar is. Voor
economischedubbele belasting, zoals in casu, bieden zij geen oplossing. De door andere staten op grond van art. 17(2) OESO-Model op [B] ’s inkomsten ingehouden belasting kan dus alleen bij [B] worden verrekend. In het OESO-commentaar op art. 17 OESO Pro-Model zag het Hof geen steun voor de door de belanghebbende bepleite vereenzelviging van vennootschap en artiest; § 11.5 zegt weliswaar dat bronstaten ervoor kunnen kiezen om de inkomsten bij de artiest, bij de vennootschap of
pro ratabij beiden te belasten, maar niet dat de artiest dan recht heeft op verrekening van de door de vennootschap betaalde bronbelasting en
vice versa. Ook het Hof achtte HR
BNB2007/142, 143 en 144 niet vergelijkbaar met belanghebbendes geval:
3.Het geding in cassatie
drie cassatiemiddelenvoor. Het Hof heeft zijns inziens:
BNB2007/142, 143 en 144 niet overeenkomstig van toepassing zijn in belanghebbendes geval.
artiste company, zodat de woonstaat ook aan beiden verrekening moet toestaan; (b) de tekst van art. 17 OESO Pro-Model, waaruit blijkt dat het in wezen gaat om de persoonlijke werkzaamheden van de artiest en de inkomsten die hij daarmee heeft verworven; en (c) de tekst van art. 23 B OESO-Model, die in het midden laat bij wie verrekend wordt.
BNB2007/142, 143 en 144 blijkt dat het door sport
teamsaan sporters/werknemers betaalde salaris voor een tijdsevenredig deel kan worden gerekend tot de inkomsten van die sporters uit hun persoonlijke werkzaamheden als zodanig in de zin van art. 17 OESO Pro-Model als zij zich contractueel verplicht hebben deel te nemen aan de desbetreffende buitenlandse activiteiten; daarbij was niet relevant of dat salaris in het buitenland ook specifiek als zodanig belast was.
verweerad middelen (i) en (ii) dat zowel de belanghebbende als [B] in meer dan één staat voor hetzelfde inkomen worden belast, zodat beiden juridisch dubbel belast worden en beiden afzonderlijk recht hebben op de aftrek elders belast die toekomt aan de inwoner tot wiens heffingsgrondslag het buitenlandse inkomen behoort en te wiens laste de buitenlandse bronbelasting is geheven. Overdracht van verrekeningsrecht aan een ander is niet mogelijk. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat alleen als de werkstaat zowel de artiest persoonlijk belast (voor een deel van de gage) als diens vennootschap (voor het restant), de woonstaat aan beiden verrekening moet geven voor de ten laste van elk afzonderlijk geheven bronbelasting. In het OESO-commentaar ziet de Staatssecretaris geen aanwijzingen dat art. 17 OESO Pro-Model de artiest en zijn vennootschap vereenzelvigt voor de toepassing van de verrekening voorzien in het voorkomingsartikel.
BNB2007/142, 143 en 144 een rechtsoordeel is, dat dus niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden, en die afwijzing rechtskundig juist is. Die arresten betroffen trouwens ook niet de vraag of een sporter/artiest de hem toekomende voorkoming van dubbele belasting (deels) zou kunnen overdragen aan een andere inwoner van Nederland.
4.Art. 17 OESO Pro-Modelbelastingverdrag en het OESO-commentaar 1977/1992/2000/2014
Algemeen
entertainers and sportpersonswezenlijk gelijk luidde aan de in 4.1 geciteerde Modeltekst, nl. art. 17 Verdrag Pro met Canada (1986) [9] ; art. 17 Verdrag Pro met India (1988) [10] ; art. 17 Verdrag Pro met Brazilië (1990) [11] ; art. 18 Verdrag Pro met Argentinië (1997) [12] ; art. 17 Verdrag Pro met België (2001) [13] ; art. 18 Verdrag Pro met Oostenrijk na het tweede wijzigingsprotocol (2002) [14] ; art. 16 Verdrag Pro met het Verenigd Koninkrijk (2008) [15] ; en art. 16 Verdrag Pro met Japan (2010). [16]
BNB2017/188 [17] . Ik ga daarom in op de commentaren sinds 1977, toen lid 2 werd toegevoegd, gegeven dat alle in casu relevante Verdragen nadien zijn gesloten, met name op de commentaren van 1977, 1992, 2000 en 2014. Op de commentaren van 2003 [18] , 2005 [19] en 2010 [20] ga ik niet in omdat zij geen relevante wijzigingen of aanvullingen bevatten en op het 2017-commentaar niet omdat het van na het litigieuze belastingjaar 2015 is.
omin het buitenland op te treden. Aldus oordeelde u dan ook in de zaken HR
BNB2007/142, 143 en 144 (zie 7.1 en 7.2 hieronder).
one person companydie de sporter/artiest een salaris betaalt:
artiste companiesals salaris aan hen zijn betaald voor die optredens; en (iii) gages die door de bronstaat op basis van een aldaar geldende doorkijkbepaling
geachtworden rechtstreeks aan de artiesten of sporters te zijn betaald voor hun optredens. In al deze drie gevallen heeft de bronstaat het heffingsrecht (en de woonstaat van de artiest de plicht tot voorkoming van dubbele belasting) al op grond van lid 1 en is lid 2 dus niet nodig. Lid 2 is bedoeld voor gevallen waarin de gage niet (meteen) als salaris aan de artiest of sporter wordt (door)betaald door zijn werkgever of
artiste companyen de bronstaat nationaalrechtelijk evenmin kan doorkijken naar de artiest/sporter zelve. Van belang is vooral te constateren dat onder lid 1 óók vallen de inkomsten uit buitenlandse
gigsdie aan de sporter/artiest worden (door)betaald voor die
gigsin de vorm van salaris van zijn/haar theatergezelschap, sportploeg, orkest of
artiste companywaarbij hij/zij in dienst is.
lid 1ook vallen de inkomsten uit
gigsdie aan de sporter/artiest worden (door)betaald als salaris door zijn/haar theatergezelschap, sportploeg, orkest of
artiste companywaarbij hij/zij in dienst is, en dat lid 2 voor dat geval dus niet relevant is; lid 2 is evenmin relevant als de bronstaat nationaalrechtelijk een doorkijkbepaling toepast die de inkomsten toevloeiend aan de andere persoon niet bij die andere persoon, maar rechtstreeks bij de artiest/sporter achter die andere persoon belast.
troupe, sportploeg,
artiste company), maar zegt slechts dat de toewijzing van inkomsten uit sport en
entertainmentaan de bronstaat óók geldt voor vergoedingen die zijn ‘afgeleid’ van de inkomsten van de artiest/sporter naar een andere persoon (
‘profits diverted from the income of the entertainer or athlete’). Lid 2 bemoeit zich dus niet met de persoon van de genieter: de ‘other person’ – theatergezelschap, sportploeg of
artiste company– blijft de genieter. Lid 2 zegt slechts dat ook de aan die andere persoon toekomende inkomsten betaald voor persoonlijke optredens van artiesten en sporters mogen worden belast door de bronstaat (‘may be taxed in the hands of the person receiving the remuneration’), ongeacht wie de optredens contracteert en ongeacht of die andere persoon enig (ander) heffings-aanknopingspunt in het bronland heeft zoals een vaste inrichting of vast middelpunt.
lex specialisten opzichte van andere toewijzingsregels. Het wijst inkomsten toe aan de bronstaat uitsluitend op grond van de
aarden de
plaatsvan de werkzaamheden die inkomsten genereren (uit sport en
entertainment; in het bronland), ongeacht wie er contractueel recht op heeft. Het is blijkens § 11 vooral bedoeld voor drie gevallen: (a) de betaling voor het optreden/de deelname gaat naar de
management companyvan een
teamof orkest dat zelf geen rechtspersoon is; (b) de betaling voor het optreden/de deelname gaat naar het
teamof orkest dat zelf een rechtspersoon is, nl. voor zover het gaat om het ‘profit element’,
i.e.voor zover
nietbetaald wordt voor de persoonlijke prestaties van de leden van dat
teamof orkest (dus de management- of winstopslag); en (c) misbruik-situaties waarin een persoon is tussengeschoven en de inkomsten op zodanige wijze toekomen aan die persoon - zoals een
‘so-called artiste company’- dat zij in de bronstaat ten onrechte noch als persoonlijk inkomen van de artiest, noch als winst bij die andere persoon kunnen worden belast.
entertainment-prestaties hoe dan ook aan de bronstaat toekomen, onverschillig wie genieter is.
alsde bronstaat verdeeld over beide personen heft, de woonstaat in zoverre bij beide personen dubbele belasting moet voorkomen. De passage in § 11 van het commentaar die zegt dat geen dubbele belasting behoort te ontstaan, ziet echter niet op
internationaledubbele belasting, maar op de dubbele belasting die eenzijdig binnen de bronstaat ontstaat als die Staat
beidepersonen deels voor
dezelfdegage belast. Dat zegt niets over de woonstaat en werpt dus geen licht op de door u te beantwoorden vraag bij wie de woonstaat voorkoming van
internationaledubbele belasting moet verlenen.
artiste companyniet vereenzelvigt.
star companyals bij de artiest zelf belast:
5.Verrekening ter voorkoming van dubbele belasting
belastingplichtin het ene land aan de
belastingplichtin het andere land ter zake van het toegewezen inkomen: [27]
bij wiede inkomsten in de Nederlandse heffingsgrondslag begrepen moeten zijn. De enige aanduiding van een persoon ligt in de term ‘zijn inwoners’. Daaronder vallen zowel de belanghebbende als [B] en Holding.
wiede gage contractueel toekomt (zodat het voor hem irrelevant is te wiens naam hij heft; het gaat immers uitsluitend om de
aarden de
plaatsvan de werkzaamheid waarvoor betaald wordt) beslissend is welke gerechtigde de bronstaat vermeldt: de artiest/sporter zelf, diens
team, orkest,
troupe, sponsor, manager, impresario of
artiste company, dan wel
Colonel Parker.
BNB2007/142, 143 en 144 (zie 7.1 en 7.2 hieronder) inderdaad relevant zijn. Hoewel dat uit de feiten in die zaken niet bleek, ligt het niet voor de hand dat in die zaken de bronlanden hadden geheven op naam van de individuele wielrenners, voetballers en schaatser, maar juist veeleer dat zij op naam van hun werkgevers (ploeg/club) hadden geheven; desondanks hadden de individuele sporters recht op vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting.
6.Nederlands fiscaal Verdragsbeleid 2011
Arnoud Gerritse, [29] Centro Equestre da Lezíria grande [30] en
FKP Scorpio Konzertproduktionen GmbH, [31] die geen brutoheffing ten laste van niet-inwoners toestaan als in het vergelijkbare binnenlandse geval netto wordt geheven, zodat dat probleem beperkt zou moeten zijn in de verhouding met België, Oostenrijk en het VK (in 2015 nog EU-lid). [32]
7.HR BNB2007/142, 143 en 144 (sporters in dienstbetrekking)
BNB2007/142 [33] ), een beroeps-voetballer in loondienst (HR
BNB2007/143 [34] ) en een internationale wedstrijdschaatser in loondienst (HR
BNB2007/144 [35] ). In de eerste zaak had de wielrenner, in dienst bij een wielerploeg, koersen in andere landen gereden. Hij ontving een basissalaris ad ƒ 89.756 en door tussenkomst van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie start- en prijzengelden ad ƒ 53.530,88. Op die start- en prijzengelden was in het buitenland bronbelasting geheven; over (een deel van) het basissalaris kennelijk niet. Over de voorkoming van dubbele belasting van de start- en prijzengelden bestond kennelijk geen geschil. In geschil was of de belanghebbende (ook) voor een deel van zijn basissalaris recht had op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting op grond van de (OESO-conforme) sporters- en artiestenbepalingen in de verdragen met Spanje, België en Ierland. Het Hof meende van wel. De Staatssecretaris betoogde in cassatie dat het basissalaris alleen aan de buitenlandse activiteiten kon worden toegerekend voor zover een duidelijk verband bestond tussen (een deel van) dat salaris en de buitenlandse sportactiviteiten. Art. 17 OESO Pro-Model gold volgens de Staatssecretaris alleen voor specifieke, direct aan de buitenlandse sportactiviteiten toe te rekenen salariscomponenten en beloningen (zoals, neem ik aan: start- en prijzengelden) en dat daarvan geen sprake was bij een vast basissalaris, zodat niet art. 17, maar art. 15 OESO Pro-Model van toepassing was (en aan de 163-dageneis was niet voldaan). U overwoog echter als volgt:
BNB2007/143; voetballer) en r.o. 3.4.1 t/m 3.4.3 (HR
BNB2007/144; schaatser). Het meest relevant voor de belanghebbende lijkt mij HR
BNB2007/144 over de beroepsschaatser, omdat (i) het Hof in die zaak vrijstelling had geweigerd wegens onvoldoende verband tussen diens basissalaris en zijn buitenlandse sportprestaties en u dat oordeel expliciet afwees, (ii) de schaatser niet in een ploeg of
teammaar individueel presteerde en (iii) zijn werkzaamheden in Spanje
nietbestonden uit deelname aan wedstrijden of andere publieks-sportevenementen, zodat het aan zijn Spaanse werkzaamheden toerekenbare basissalaris géén verband hield met een specifieke persoonlijke sportprestatie bij een publieksevenement in dat land. U overwoog als volgt (ik herhaal dat het, anders dan in belanghebbendes zaak, niet om
verrekeningvan buitenlandse bronbelasting ging, maar om (evenredige)
vrijstellingvan Nederlandse belasting ongeacht buitenlandse heffing, dus alleen om de vraag of het inkomen aan de bronstaat was toegewezen, zodat Nederland voorkoming moest geven):
lid 1van art. 17 OESO Pro-Model en niet lid 2, dat immers pas in 1977 in het Modelverdrag werd opgenomen. U baseerde u op het OESO-Model 1963 – waarin lid 2 niet voorkwam – omdat de relevante verdragen nog op dat Model waren gebaseerd.
BNB2007/142, 143 en 144 om vrijstelling en niet om verrekening ging, was in die zaken niet relevant of het bronland het hem toegewezen heffingsrecht ook uitoefende, zodat te minder van belang was of eventuele belasting in de bronstaat was geheven ten laste of ten name van de sporter/werknemer of van diens werkgever. U liet dat dan ook in het midden. Zoals eerder opgemerkt: hoewel niet vastgesteld, ligt het niet voor de hand dat de bronlanden in die zaken op naam van de individuele wielrenners, voetballers en schaatser zouden hebben geheven, maar veeleer dat zij hieven op naam van de ploeg/club/werkgever die kennelijk de contracterende partij was voor de sporters. Desondanks hadden de individuele sporters recht op vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting.
BNB2007/142, 143 en 144 – zich geen heffingsvacuüm kan voordoen. Integendeel: de belanghebbende of [B] is door de werking van de verrekeningsmethode hoe dan ook steeds onderworpen aan de hoogste effectieve belastingdruk van de twee betrokken Verdragstaten.
8.Het Besluit voorkoming dubbele belasting
Sporters en artiesten
9.Beoordeling van de middelen
internationaledubbele belasting, maar over
eenzijdigedubbele belasting door de bronstaat, nl. van (een deel van) hetzelfde inkomen uit optredens bij zowel de artiest als een andere persoon. Die passage biedt geen enkele steun aan de stelling dat de door de bronstaat bij de ene persoon geheven belasting door de woonstaat bij de andere persoon zou moeten worden verrekend. Het OESO-commentaar 2014 is bovendien hooguit van secundair interpretatief belang voor de in casu relevante verdragen, die alle van vóór 2014 stammen.
artiste companyonder art. 17 OESO Pro-Model. Zoals in 4.6 t/m 4.12 hierboven onderbouwd, meen ik echter dat art. 17 OESO Pro-Model geen subjectieve vereenzelviging inhoudt, maar uitsluitend toewijst op basis van de
aarden de
plaatsvan de prestatie waarvoor betaald wordt. Art. 17 OESO Pro-Model als geheel komt neer op toewijzing van alle gages voor persoonlijke optredens van sporters/artiesten aan de bronstaat, ongeacht wie gerechtigd is en ongeacht wie contracteert voor de sporters/artiesten. Daaruit volgt dat middel (i) faalt, nu het uitgaat van een vereenzelviging van de artiest en diens
artiste companywaarvan art. 17 OESO Pro-Model juist niet uitgaat: art. 17 OESO Pro-Model bemoeit zich niet met de subjectieve toerekening van de inkomsten, omdat die niet ter zake doet (als de genieter maar inwoner van de woonstaat is en dat zijn zowel de belanghebbende als zijn BV’s).
wiein het geval van art. 17 OESO Pro-Model gerechtigd is tot voorkoming van dubbele belasting (als het maar om een Verdragsinwoner gaat, en zowel de belanghebbende als zijn BV’s zijn Verdragsinwoner), wordt dat mijns inziens bepaald door nationaal recht, zodat de door de belanghebbende ingeroepen arresten HR
BNB2007/142, 143 en 144 inderdaad relevant zijn. Uit die arresten volgt dat (een deel van het) salaris van een artiest betaald door diens werkgever als inkomsten uit persoonlijk optreden als artiest ex art. 17(1) OESO-Model wordt aangemerkt (en dus wordt toegewezen aan de bronstaat, zodat de woonstaat voorkoming moet geven) als het naar de bedoeling van de sporter/artiest en zijn werkgever een beloning is voor dat persoonlijke optreden als zodanig in de bronstaat en de artiest zich verplicht heeft dat persoonlijke optreden te doen. Onder ‘persoonlijke werkzaamheden als zodanig’ in de zin van art. 17 OESO Pro-Model valt volgens u ook de ‘tijdsbesteding die met dat publieksgerichte optreden samenhangt, zoals trainingen, beschikbaarheidsdiensten, reizen en noodzakelijk verblijf, voorzover die tijdsbesteding heeft plaatsgehad in dezelfde staat als het optreden’. Dat geldt kennelijk zélfs als er in de bronstaat geen publieksoptreden of wedstrijd heeft plaatsgevonden, zoals in de zaak HR
BNB2007/144, waarin de sporter immers in Spanje slechts deelnam aan training en sponsorpromotie; niet aan enige wedstrijd. Anders dan de Rechtbank eiste, is een ‘rechtstreeks verband’ tussen het salaris en specifieke optredens als artiest dus geenszins vereist, en is niet beslissend dat belanghebbendes salaris in omvang niet meebewoog met de buitenlandse gages. Dat deed het
basissalaris van de sporters in HR
BNB2007/142, 143 en 144 immers per definitie, en expliciet, evenmin.
BNB2007/142, 143 en 144. Dat is rechtskundig onjuist. Hij had moeten onderzoeken welk deel van belanghebbendes salaris van Holding,
if any, naar de bedoeling van de partijen bij de arbeidsovereenkomst tussen Holding en de belanghebbende een beloning was voor belanghebbendes persoonlijke optredens als DJ (inclusief sponsor-, reclame- en royalty-activiteiten) in de bronstaten en of de belanghebbende zich jegens Holding verplicht had om in het buitenland buiten de VS op te treden. De belanghebbende heeft ook in hoger beroep gesteld dat een duidelijk verband bestond tussen zijn salaris en zijn buitenlandse optredens, zodat feitelijke grondslag voorhanden was: de belanghebbende heeft voor het Hof onder meer het volgende gesteld: [37]
BNB2007/142, 143 en 144) toepassen en dus de dáárvoor relevante feiten vaststellen.
BNB2007/142, 143 en 144 geschiedde volgens de vrijstellingsmethode en niet volgens de verrekeningsmethode. De rechtsregel is immers dat de artiest/werknemer recht heeft op voorkoming van dubbele belasting als zich de feitelijke (contractuele) constellatie voordoet die zich in die arresten voordeed. Ik acht middel (iii) daarom gegrond.
BNB2007/142, 143 en 144: (i) de gages worden kennelijk ontvangen door [B] , terwijl de belanghebbende niet bij [B] maar bij Holding in dienst is; (ii) de belanghebbende is DGA van zijn werkgever en dus een tweede hand op dezelfde buik; (iii) een deel van de buitenlandse bronbelasting is al verrekend bij [B] en Holding; en (iv) met één van de bronstaten (Chili) heeft Nederland geen verdrag.
gigste doen en dat het salaris van Holding er (mede) toe strekt die persoonlijke optredens als DJ te vergoeden.