ECLI:NL:HR:2021:1446
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente 2007
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 juni 2019, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft behandeld. De zaak betreft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Omdat de beoordeling van deze middelen geen vragen oproept die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee wordt het arrest van het hof bekrachtigd en blijft de aanslag en de heffingsrente zoals opgelegd aan belanghebbende ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.