Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 november 2021.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2020 beoordeeld, waarin aan de verdachte een taakstraf van 60 uur werd opgelegd ter vervanging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een vervangende hechtenis van 30 dagen bij niet-naleving. De verdachte stelde dat de duur van de vervangende hechtenis de duur van de niet tenuitgevoerde vrijheidsstraf overschreed, hetgeen volgens de wet niet is toegestaan.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 6:6:21 Sv Pro de rechter niet bevoegd is een vervangende hechtenis op te leggen die langer duurt dan de niet tenuitgevoerde vrijheidsstraf. De door het hof opgelegde vervangende hechtenis van 30 dagen overschrijdt de duur van de niet tenuitgevoerde straf van twee weken. Dit vormt een onmiddellijk kenbare fout die eenvoudig hersteld kan worden door de rechter die de zaak behandelde.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de duur van de vervangende hechtenis betreft en bepaalt zelf dat de vervangende hechtenis twee weken bedraagt. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie niet is overschreden, ondanks een late indiening van stukken door het hof.
Deze uitspraak benadrukt de strikte wettelijke grenzen aan de duur van vervangende hechtenis en bevestigt de mogelijkheid tot eenvoudige herstelmaatregelen bij onmiddellijk kenbare fouten.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de vervangende hechtenis twee weken bedraagt en vernietigt het hofarrest voor zover de duur van de vervangende hechtenis langer was dan de niet tenuitgevoerde straf.