Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin verdachte werd vrijgesproken van het illegaal overbrengen van circa 30.000 ton produced water van Angola naar Nederland in strijd met de EVOA.
Het hof had vastgesteld dat het produced water, dat bij de oliewinning uit een olieveld in de exclusieve economische zone van Angola werd gewonnen en opgeslagen in ballasttanks van een FPSO, chemicaliën bevatte en een oliegehalte dat de normen van het Marpol-verdrag overschreed. Het hof oordeelde dat dit water niet langer viel onder de uitzondering van Marpol die betrekking heeft op stoffen die direct vrijkomen bij exploratie en exploitatie van zeebodemmineralen, waardoor het produced water onder het Marpol-verdrag viel en daarmee ook onder de uitzondering van artikel 1 lid 3 sub a EVOA Pro.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel van het OM dat stelde dat het produced water niet onder Marpol viel. De Hoge Raad volgde de uitleg dat de toevoeging van chemicaliën en het overschrijden van de toegestane olieconcentratie betekende dat het water niet meer viel onder de Marpol-uitzondering voor direct vrijkomende stoffen. Hierdoor was de EVOA niet van toepassing en kon geen sprake zijn van een illegale overbrenging. De vrijspraak van verdachte bleef daarmee in stand.
De uitspraak benadrukt de nauwe samenhang tussen de EVOA en het Marpol-verdrag en de interpretatie van de uitzonderingsbepalingen, waarbij milieubescherming centraal staat. De zaak illustreert de complexiteit van internationale milieuregelgeving bij offshore activiteiten en afvaltransport.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat het produced water onder de Marpol-uitzondering valt en de EVOA niet van toepassing is.