Uitspraak
kantoorhoudende te [plaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Op 7 september 2011, toen duidelijk was dat er geen doorstart zou komen, heeft de curator met instemming van Heineken de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. De van 31 mei 2011 tot 7 september 2011 verschuldigde huur bedroeg € 82.155,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over de boedelperiode.
De omstandigheid dat het toelaten van verhaal door Heineken voor deze boedelvordering mogelijk ten koste gaat van de vordering van de curator uit hoofde van zijn salaris leidt niet tot een ander oordeel. Weliswaar kan de curator zich voor zijn salaris vóór Heineken op eventueel boedelactief verhalen, de executieopbrengst behoort nu juist niet tot het boedelactief en de curator heeft ook niet de bevoegdheid de executieopbrengst op te eisen ten behoeve van de boedel, nu Heineken zich als boedelcrediteur daarop verhaalt. Niet gezegd kan worden dat Heineken aldus misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. (rov. 3.11)
art. 39 Fw Pro. Althans valt in het licht van de tekst van de verpandingsbepaling en de stelling van de curator dat de boedel niet met LEF kan worden vereenzelvigd, niet zonder meer in te zien waarom ‘al hetgeen Heineken van de ondernemer te vorderen heeft’ tevens zou kunnen omvatten wat Heineken van de boedel te vorderen heeft, aldus het onderdeel.
4.Beslissing
15 april 2016.