Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
30 maart 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan betrokkene wegens gewoontewitwassen.
Het hof had geoordeeld dat toepassing gegeven kon worden aan artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht in de gewijzigde vorm sinds 1 juli 2011, waarbij het ontbreken van een strafrechtelijk financieel onderzoek geen beletsel vormde voor het opleggen van een betalingsverplichting. De Hoge Raad herhaalde de eerdere jurisprudentie dat deze bepaling niet van toepassing is op feiten die zijn gepleegd vóór 1 juli 2011 zonder dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld.
Het hof had vastgesteld dat de misdrijven mede vóór 1 juli 2011 waren gepleegd en dat geen strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld, maar had toch artikel 36e lid 3 Sr in zijn huidige vorm toegepast voor die periode. Dit is volgens de Hoge Raad onjuist. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De zaak betreft de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel op € 73.092,86, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling over de periode 1 januari 2010 tot 24 september 2015. De Hoge Raad benadrukt het belang van het legaliteitsbeginsel en de juiste toepassing van de ontnemingsregels in relatie tot de datum van het strafbare feit en het bestaan van een strafrechtelijk financieel onderzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting vanwege onjuiste toepassing van artikel 36e lid 3 Sr.