Conclusie
Nummer19/05075 P
De procesgang in cassatie
De procedures die aan de lopende procedure voorafgingen
Het bestreden arrest
“Aanvullende overweging:
Abusievelijk is in het arrest op pagina 3 opgenomen dat het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel ontleent, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten alsmede andere strafbare feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het eerste middel
gesuggereerd” zijn en tot aan de inhoudelijke zitting bij het hof van 20 september 2019 nimmer expliciet aan de orde zijn geweest. Bovendien heeft het hof de betrokkene niet over deze feiten bevraagd of hem gevraagd te reageren. Tot slot bevatten de bewijsmiddelen niet de pagina’s 117/118 waaraan het hof refereert. Onder deze omstandigheden, en in het licht van de recente rechtspraak van de Hoge Raad, kan het arrest niet overeind blijven, aldus laat de toelichting zich lezen.
Het arrest van de Hoge Raad dat thans in cassatie centraal staat
Hoe dient het eerste middel te worden verstaan?
lid 2 (oud)Sr, over het hoofd heeft gezien. De steller van het middel gaat ervan uit dat het hof de ontneming heeft gegrond op artikel 36e
lid 3(ik begrijp: oud) Sr, waarbij hij erop wijst dat er in deze zaak een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft plaatsgehad. Daarmee gaat de steller van het middel eraan voorbij dat de instelling van een strafrechtelijk financieel onderzoek in de regelgeving van vóór 1 juli 2011 weliswaar een toepassingsvoorwaarde betrof voor voordeelsontneming op grond van artikel 36e
lid 3(oud) Sr, maar dat de instelling van een strafrechtelijk financieel onderzoek geen belemmering vormde voor voordeelsontneming op grond van artikel 36e
lid 2(oud) Sr. Zoals gezegd heeft het hof uitdrukkelijk geopteerd voor het laatste.
lid 2Sr. Aanwijzingen voor het begaan van de in die bepaling bedoelde delicten zijn uitsluitend ‘voldoende’ wanneer buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat deze delicten door de betrokkene zijn begaan, aldus oordeelde de Hoge Raad
.Bij gebreke van rechterlijk overgangsrecht, moet de wetsuitleg van de Hoge Raad, te weten dat de hier bedoelde aanwijzingen voor het begaan van andere delicten alleen voldoende zijn wanneer zij de bewijsdrempel van de redelijke twijfel overstijgen, geacht worden van meet af aan bepalend te zijn voor de betekenis van het begrip ‘voldoende aanwijzingen’ in artikel 36e lid 2 Sr, dat wil dus zeggen: vanaf 1 maart 1993.
lid 3Sr. Een onverdeeld bevestigend antwoord op die vraag ligt niet onmiddellijk voor de hand. Ontneming op grond van lid 3 vereist (slechts) dat aannemelijk is dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten, terwijl in het midden kan blijven door wie die strafbare feiten zijn begaan. Aangezien dit criterium geen vaststelling van schuld van de veroordeelde aan andere delicten dan de bewezen verklaarde delicten vergt, blijft de onschuldpresumptie in beginsel buiten beeld. De veronderstelling die aan het middel ten grondslag ligt, te weten dat de bewijsdrempel van redelijke twijfel ook het begrip ‘aannemelijk’ van artikel 36e lid 3 Sr inkleurt, vindt dus geen steun in het recht.
De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan”, aldus oordeelde de Hoge Raad.
Beschouwingen over de onschuldpresumptie en artikel 36e lid 2 Sr
bewezen verklaardefeiten, oftewel de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld, en
anderedan de bewezen verklaarde strafbare feiten, indien voor die feiten voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
indien de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, (…) (de totstandkoming van) dat oordeel binnen het (…) eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming [dient] te zijn met de onschuldpresumptie.” Ik sta iets langer stil bij deze overweging, met name bij begrippen als ‘de onschuldpresumptie’, het ‘eigen kader voor het bewijs in ontnemingsprocedures’ en bij de context van het wettelijke begrip ‘voldoende aanwijzingen’.
risico’, te weten dat redelijke twijfel aan zijn schuld in het voordeel van de verdachte uitvalt. In de onschuldpresumptie ligt echter ook een toedeling van de bewijs
lastten gunste van de verdachte besloten. De taak om het vermoeden van onschuld te weerleggen en om voor de beschuldiging bewijs aan te dragen ligt bij de aanklager. De verdachte is niet gehouden om zijn onschuld aan te tonen. [6]
“ “voldoende aanwijzingen” (…) niet door de rechter [mogen] worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan.” Over het tweede bewijsaspect van de onschuldpresumptie, de bewijslasttoedeling, overweegt de Hoge Raad: “
Artikel 6 EVRM Pro staat er daarbij niet aan in de weg (…) dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene.” Ik kom hieronder terug op de vraag waarop deze overweging nu precies betrekking heeft.
Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.” De Hoge Raad legt hiermee een rechtstreeks verband tussen de onschuldpresumptie en een in artikel 6
lid 1EVRM besloten liggend fundament van een eerlijk proces, te weten het recht op een procedure op tegenspraak, oftewel een ‘
adversarial trial’. [7] Naar mijn inzicht is het van belang om voor ogen te houden dat het hier bedoelde recht op een contradictoir strafproces géén voldoende voorwaarde is voor de waarborging van de onschuldpresumptie, maar een noodzakelijke voorwaarde. Daar waar de onschuldpresumptie verlangt dat de eventuele schuld van de – in aanvang voor onschuldig gehouden – verdachte in rechte (‘
according to law’) wordt vastgesteld, kan immers bezwaarlijk worden volgehouden dat hiertoe genoegen mag worden genomen met een
oneerlijk proces. Uiteraard is het dus noodzakelijk dat de eventuele schuld van de verdachte wordt vastgesteld in een procedure waarin de verdachte zichzelf heeft kunnen verdedigen.
hoehet bewijs moet worden geleverd, alleen
dathet moet worden geleverd. De onschuldpresumptie verzet zich daarmee op zichzelf niet tegen het gebruik van bewijsredeneringen, gevolgtrekkingen, algemene ervaringsregels en (weerlegbare) bewijsvermoedens. [8] , [9] De inrichting van het bewijsrecht behoort zodoende tot het vrije domein van de nationale wetgever. Toegespitst op het Nederlandse ontnemingsrecht, dwingt de onschuldpresumptie er bijvoorbeeld niet toe dat de nationale bewijsvoorschriften in strafzaken, zoals die van de artikelen 338 tot en met 344a Sv, eveneens op de bewijsvoering in ontnemingszaken van toepassing zijn.
volgtop de vaststelling dat een beschuldiging gegrond is. [10] Kortom, indien eenmaal met inachtneming van de onschuldpresumptie is vastgesteld dat de betrokkene ook andere dan de bewezen verklaarde delicten heeft begaan, regardeert de onschuldpresumptie naar haar aard niet het onderzoek naar de (financiële) gevolgen van die delicten, dat wil zeggen: de schatting van het profijt. Dat ziet op de voorwaarde onder (ii). Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de omvang van voordeel dat is voortgekomen uit
bewezen verklaardedelicten (voorwaarde (ii) voor voordeel uit feiten van categorie (1)). [11]
the sentencing process’). [12] Die aanspraak brengt mee dat de betrokkene in het strafgeding de gelegenheid heeft om aan te voeren dat en waarom niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor de oplegging van een bepaalde sanctie in de zin van artikel 7 EVRM Pro, zoals de ontnemingsmaatregel. [13]
buiten redelijke twijfelkan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere delicten heeft begaan, bestaan voor die andere delicten “
voldoende” aanwijzingen. De bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv zijn niet van toepassing op de oordeelsvorming over vraag (i), ook niet (geheel of ten dele) over de band van artikel 511f Sv. Er gelden dus geen bewijsbeperkingen en bewijsminima, en er geldt niet de eis dat de (voldoende) aanwijzingen voor het begaan van andere delicten zijn gegrond op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
garingaan dezelfde regels is onderworpen als de bewijsgaring ten behoeve van de tenlastelegging van een strafbaar feit. [19]
Artikel 6 EVRM Pro staat er daarbij niet aan in de weg dat de rechter in de ontnemingsprocedure gebruik maakt van bewijsrechtelijke vermoedens (…).” Mijn betoog hierboven sluit naadloos aan bij deze rechtsoverweging. Zoals al eerder opgemerkt belet artikel 6 EVRM Pro, in het bijzonder de onschuldpresumptie, die van toepassing is op vraag (i), op zichzelf niet dat de rechter gevolgtrekkingen doet aan de hand van waarschijnlijkheden die zijn gelieerd aan algemene ervaringsregels en bewijsvermoedens.
(…) dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene.” Ook dit correspondeert met mijn betoog. De – niet op kwestie (ii) toepasselijke – onschuldpresumptie verhindert immers niet dat de rechter de bewijslast aangaande de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel “
op redelijke en billijke wijze” verdeelt tussen het OM en de betrokkene.
lid 1EVRM. Deze bepaling ziet zodoende op zowel (i) de vraag of de betrokkene andere dan de bewezen verklaarde delicten heeft begaan, als (ii) de vraag naar de omvang van het wederrechtelijk voordeel. In die zin is de omschrijving door de Hoge Raad van het recht op een contradictoir strafproces in dit verband te beperkt, ik citeer de Hoge Raad andermaal: “
de betrokkene [behoort] de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.” Een dergelijke gelegenheid dient de betrokkene echter niet alleen voor kwestie (i), maar uiteraard ook te hebben voor wat betreft omstandigheden die bepalend zijn voor (ii), de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast” die van toepassing is op kwestie (ii).
prima facieboven redelijke twijfel verheven is. Het begrip ‘
prima facie case’ is afkomstig uit het Angelsaksische straf(proces)recht. Het betreft een bewijsconstructie die op het eerste gezicht voldoet en die vooralsnog buiten gerede twijfel stelt dat de beklaagde bepaalde (ten laste gelegde) delicten heeft begaan, zulks met het uitdrukkelijke voorbehoud dat de beklaagde nog wel in de gelegenheid wordt gesteld om verweer te voeren en tegenbewijs te leveren, dat wil zeggen: bewijs waarmee alsnog gerede twijfel ontstaat. Zodoende wordt naar mijn inzicht ook binnen het bestek van kwestie (i) van artikel 36e lid 2 Sr tegemoetgekomen aan de twee hierboven beschreven (materiële) eisen die in de onschuldpresumptie liggen besloten, te weten (a) dat de schuld van de beklaagde buiten redelijke twijfel wordt vastgesteld, en (b) dat de bewijslast daarvan rust bij de aanklager. Het is aan de aanklager om bewijsmateriaal te presenteren dat het begaan van andere dan de bewezen verklaarde delicten – op het eerste gezicht – buiten gerede twijfel stelt, terwijl het – alleen wanneer die voorwaarde is vervuld – aan de betrokkene is om (desgewenst) de redengevendheid van het bewijs tegen hem te ontzenuwen.
De bespreking van het middel
voldoende” aanwijzingen bestaan dat de betrokkene voorafgaand aan de bewezen verklaarde delicten soortgelijke delicten heeft begaan, omdat niet kan worden volgehouden dat die aanwijzingen
buiten gerede twijfelstellen dat de betrokkene de hiervoor bedoelde soortgelijke delicten heeft begaan.
onvoldoende aanwijzingen bestaan dat soortgelijke strafbare feiten door hem zijn begaan. De puntsgewijze opsomming die het hof in zijn arrest heeft weergegeven bevond zich in het procesdossier waarover ook de verdediging beschikte en de advocaat-generaal heeft deze opsomming overgenomen in zijn requisitoir, onder vermelding van de slotsom die hij daaraan verbond. [20] De verdediging heeft dus wel degelijk kunnen reageren. Daaraan doet niet af dat de raadsman en de betrokkene inhoudelijk weinig weerwoord hebben gegeven. Bovendien kon het geen verrassing zijn dat evenals in eerste aanleg, ook in hoger beroep de vraag naar het begaan van soortgelijke feiten aan de orde zou komen.
kunnenoordelen dat
buiten redelijke twijfel kan worden vastgestelddat de betrokkene, in de jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde strafbare feiten, soortgelijke feiten heeft gepleegd.
evidence). Het (rechterlijke) oordeel dat een bepaald strafrechtelijk relevant scenario in voldoende mate steun vindt in bewijsmateriaal en – dus – dat een bepaald strafbaar feit is begaan, vormt welbeschouwd zelf geen aanwijzing, maar (slechts) een conclusie die is getrokken op basis van aanwijzingen als hiervoor bedoeld.
uit het dossier is gebleken”, is dat dit geen reeks van (in mijn woorden) ‘aanwijzingen’ betreft, maar een reeks van – door het hof van verbalisanten overgenomen – conclusies, telkens over het begaan door de betrokkene van strafbare feiten die soortgelijk zijn aan de bewezen verklaarde strafbare feiten. Het uiteindelijke oordeel van het hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan is daarmee wezenlijk niets anders dan een samenvatting van die reeks van twaalf “
voldoende aanwijzingen”. De reeks van (ongeveer) twaalf soortgelijke delicten die in het bestreden arrest is opgenomen vormt, aldus beschouwd, slechts een concretisering van het oordeel dat (voldoende aanwijzingen bestaan dat) de betrokkene soortgelijke delicten heeft begaan, maar het is zelf geen reeks van aanwijzingen.
gedetailleerde” – verklaringen naar ’s hofs oordeel buiten gerede twijfel stellen dat de betrokkene strafbare feiten heeft gepleegd die soortgelijk zijn aan de bewezen verklaarde feiten, acht ik niet onbegrijpelijk. De steller van het middel legt ook niet uit waarom dat anders zou zijn. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging in feitelijke aanleg
“naar het oordeel van het hof (…) bovenstaande aanwijzingen onvoldoende [heeft] betwist.” [21]
Het tweede middel
de boot” niet tot cassatie hadden kunnen leiden, waarna het requisitoir een vergelijkbare strekking had, heeft de raadsman bij pleidooi als volgt gereageerd, en ik citeer: [25]
“hij een nieuwe boot heeft gekocht, merk “Rodman”, 8 meter lang met twee 6-cilinder inboord motoren en navigatie”, bevat het proces-verbaal dat bewijsmiddel 1 vormt de onderbouwing van de geschatte waarde van de aangekochte boot. Bewijsmiddel 1 beschrijft dat op basis van de specificaties die blijken uit de woorden van de betrokkene zelf in het tapgesprek nader onderzoek is verricht. Dat is de link tussen de twee bewijsmiddelen. Uit dat nadere onderzoek volgt dan dat het in casu een boot van de Spaanse scheepsbouwer Rodman moet betreffen en dat het op basis van de specificaties uit het tapgesprek moet gaan om een boot in de klasse sportships van het type Rodman 900. Deze vaststelling is in mijn ogen geenszins onbegrijpelijk wanneer bewijsmiddelen 1 en 5 in onderlinge samenhang worden gelezen.
een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast” die van toepassing is op kwestie (ii), de schatting van het wederrechtelijk verkregen vermogen, acht ik het betrekken in de vermogensvergelijking van de (tweedehands) boot van het merk Rodman type 900 tegen een geschatte waarde van ƒ 87.500,- niet onbegrijpelijk.