ECLI:NL:HR:2021:497

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
19/03918
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 lid 1 SrArt. 285 lid 1 SrArt. 358 SvArt. 359 SvArt. 423 lid 4 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omvang terugwijzingsopdracht na cassatie bij mishandeling en bedreiging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte was veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De Hoge Raad had eerder het hofarrest deels vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting en afdoening van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging.

Na terugwijzing oordeelde het hof dat verdachte voor feit 2 werd ontslagen van alle rechtsvervolging en bepaalde het de straf voor feit 1 op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro, zonder de vereiste motivering. Dit werd door de Hoge Raad als een miskend terugwijzingsopdracht beoordeeld.

De Hoge Raad benadrukt dat de rechter aan wie de zaak is terugverwezen gebonden is aan de terugwijzingsopdracht en de zaak volledig opnieuw moet berechten en afdoen voor de onderdelen waarvoor is terugverwezen. Het arrest van het hof wordt daarom vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor een juiste beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de strafoplegging van feit 1 en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03918
Datum6 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2019, nummer 21-000180-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Schreudering, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat het de straf voor het onder 1 bewezenverklaarde kon ‘bepalen’ en niet gebonden was aan de motiveringseisen van artikel 358 en Pro artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.2.1
Het voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde proces-verloop is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 10. Daaruit blijkt dat:
(i) de verdachte bij arrest van 16 februari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en hij beroep in cassatie heeft ingesteld;
(ii) de Hoge Raad bij zijn arrest van 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2094, dit arrest van het hof heeft vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, met terugwijzing van de zaak naar het hof, “opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan”;
(iii) het hof, dat na terugwijzing door de Hoge Raad heeft geoordeeld, de verdachte ter zake van feit 2 heeft ontslagen van alle rechtsvervolging en op grond van artikel 423 lid 4 Sv Pro de straf voor het onder 1 bewezenverklaarde (hierna: feit 1) heeft bepaald op een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
2.2.2
Verder blijkt uit het onder 2.2.1 onder (ii) vermelde arrest van de Hoge Raad niet van enige voor de terugwijzingsrechter van belang zijnde beperking van het cassatieberoep.
2.3.1
De rechter naar wie de Hoge Raad na (gedeeltelijke) vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen of teruggewezen, is gebonden aan de beslissing die de Hoge Raad heeft gegeven (vgl. HR 27 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2500). Dit brengt mee dat het hof - gelet op de omvang van het cassatieberoep tegen de eerdere beslissing van het hof - op grond van de beslissing van de Hoge Raad de zaak opnieuw had moeten berechten en afdoen wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging. Door op de hiervoor onder 2.2.1 onder (iii) weergegeven wijze te beslissen heeft het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad miskend, voor zover het de straf voor feit 1 onder verwijzing naar artikel 423 lid 4 Sv Pro heeft bepaald in plaats van voor feit 1 een straf op te leggen.
2.3.2
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de ‘strafbepaling’ ter zake het onder 1 bewezenverklaarde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat voor het onder 1 bewezenverklaarde alsnog een beslissing over de ‘strafoplegging’ wordt genomen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 april 2021.