Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 22 september 2013 te Tiel een persoon bedreigde door dreigende woorden te uiten en met een bijl slaande bewegingen te maken. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het gebonk op de ramen en het geschreeuw van de benadeelde geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vormden, en verwierp het beroep op noodweer. Het Hof motiveerde ook dat de verdachte een andere keuze had kunnen maken, zoals de politie bellen, maar onderzocht niet of dit ook van hem kon worden gevergd.
De Hoge Raad herhaalt dat bij een beroep op noodweer de rechter gemotiveerd moet beslissen en nauwkeurige feitelijke vaststellingen moet doen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk is omdat het niet duidelijk is waarom het gebonk en geschreeuw geen ogenblikkelijke aanranding zouden zijn, terwijl het Hof de juistheid van de feiten deels in het midden liet. Ook is de motivering omtrent de subsidiariteit onvoldoende omdat niet is onderzocht of de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof voor zover het de beslissing over het ten laste gelegde en de strafoplegging betreft, en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof wegens onvoldoende motivering verwerping noodweer en wijst zaak terug voor hernieuwde behandeling.