Conclusie
Nummer20/02570
Procesverloop
"Cliënte heeft in 2003, 2004 en 2007 aanzienlijke bedragen teruggekregen (zie bijlage). Het betrof schadevergoedingen die zijn uitgekeerd door het College van Procureurs-Generaal naar aanleiding van een onterechte inbeslagneming van geld en goederen van cliënte in 2001. Het betrof een bedrag ad € 7.714,26 d.d. 8 januari 2003 wegens ten onrechte inbeslaggenomen geld, een bedrag ad € 613,55 d.d. 15 maart 2003 rente over inbeslaggenomen geld en een bedrag ad € 4250,- d.d. 11 november 2004 schadevergoeding wegens ten onrechte weggegeven spullen uit de woning (zie bijlage brief College van Procureurs-Generaal). Daarnaast heeft cliënte van de verzekering op 19 september 2007 ook nog een bedrag uitgekeerd gekregen van € 874,- (zie bijlage). Het gaat in totaal om een bedrag ad € 13.451,81 in de periode 2003 tot en met 2007. Dat bedrag bevond zich deels in haar beautycase deels in haar nachtkastje en was deels in buitenlandse valuta in de beautycase en het nachtkastje. (...) Nu cliënte gemotiveerd kan aangeven waar de bedragen vandaan komen verzoek ik u cliënte vrij te spreken van witwassen voor de genoemde bedragen."
(…)
Het hof is van oordeel dat de navolgende feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van witwassen.
Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte de overige geldbedragen en het goud in de zwarte koffer heeft gedaan. De verdachte was immers op de hoogte van de codes van de cijfersloten van die koffer. Uit de in de slaapkamer van de verdachte aangetroffen bescheiden (code 01.06.A.44) zoals facturen, omwisselingnota's en berekeningen blijkt dat de verdachte met grote sommen geld bezig is geweest. De omwisselingen in Duitse marken (en vervolgens in goud) en in Amerikaanse dollars vonden plaats in 2001. Op de envelop met vermelding van de berekeningen van de Amerikaanse dollars staan ook berekeningen van bedragen in Nederlandse guldens. Gezien het jaartal op de facturen (2001) en de vermelding van de bedragen in Nederlandse guldens is het alleszins waarschijnlijk dat de omwisselingen hebben plaatsgevonden in verband met de invoering van de euro in januari 2002. Het hof is dan ook, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verdachte deze berekeningen heeft opgesteld, omdat het overige geld haar toebehoorde en voor de diverse omwisselingen mogelijk hulp heeft gehad van [betrokkene 1] of derden. [betrokkene 1] gebruikte daarbij de naam van een vroegere klasgenoot [betrokkene 2] . Zij waren de enige Indische meisjes in de klas (dossierpagina 2181). De verdachte heeft bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris wisselende verklaringen afgelegd, die op onderdelen ook nog eens worden weersproken door medeverdachten of getuigen. Zo heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 1] met [betrokkene 3] in Duitsland was voor het aankopen van goud. [betrokkene 3] stelt echter dat hij nooit met [betrokkene 1] in Duitsland is geweest en zelfs niet eens wist dat de verdachte goud had (dossierpagina 2190). Voorts heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 4] , die in 1961 in [plaats] woonde, in opdracht van de vader van de verdachte goud voor de verdachte in Duitsland heeft aangekocht. Uit het onderzoek van de Gemeentelijke Basisadministratie te [plaats] is niet gebleken dat deze [betrokkene 4] in dat register voorkwam (dossierpagina 2177). Het hof acht de verklaringen van de verdachte dan ook ongeloofwaardig.
In dit verband is van belang dat de verdachte heeft aangegeven dat zij in de periode 2003 tot en met 2007 een bedrag uitgekeerd heeft gekregen van een verzekering en in verband met schadevergoedingen. Het gaat in totaal om een bedrag van € 13.451,81. Het betrof een bedrag van € 7.714,26 wegens onterecht in beslag genomen geld (d.d. 8 januari 2003), een bedrag van € 613,55 rente over inbeslaggenomen geld (d.d. 15 maart 2003, een bedrag van € 4.250,- schadevergoeding (d.d. 11 november 2004) en een bedrag van € 874,- uit hoofde van een verzekering (d.d. 19 september 2007). In zoverre heeft de verdachte een concrete verklaring gegeven over de herkomst van een deel van de aangetroffen geldbedragen die niet op voorhand onwaarschijnlijk is en verifieerbaar.
De hiervoor bedoelde bedragen zijn in 2003, 2004 en voor een klein deel in 2007 aan de verdachte toegekomen. Voor zover deze bedragen ten tijde van de inbeslagneming nog in bezit waren van de verdachte, is niet herleidbaar waar deze zich ten tijde van de doorzoeking in de woning bevonden. De verdachte heeft daarover niets (concreets) verklaard. Voor zover de bedragen zich in de beautycase, het nachtkastje en/of de woonkamer zouden hebben bevonden, is sprake van vermenging van vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn met vermogensbestanddelen die uit een legale bron afkomstig zijn. Gelet op de jurisprudentie (HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2010/44) dient het vermogen in dat geval als ‘gedeeltelijk’ - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig te worden aangemerkt.
Nu het hoger beroep is gericht tegen het onder 1 ten laste gelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van Pro het Wetboek van Strafvordering eerst de straf bepalen ten aanzien van de in eerste aanleg onder 2 en 3 bewezen verklaarde misdrijven. Het hof bepaalt deze straf op een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
(…)
Het eerste middel
Het tweede middel
“9. Hiervoor heb ik al aangegeven dat de vrijspraak met betrekking tot het geld en de voorwerpen die zijn aangetroffen bij cliënte, onder meer in de koffer in haar slaapkamer, onder haar bed, van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] thans onherroepelijk is.
14. Ik ben daarom van mening dat niet alleen voor het geld waarvan uw gerechtshof eerder al van oordeel was dat het [betrokkene 6] toebehoorde, maar ook voor de goudstaven en de horloges c.q. het Cartierhorloge, geldt dat die aan [betrokkene 6] toebehoorden, dat niet kan worden vastgesteld dat die van misdrijf afkomstig zijn en dat derhalve van witwassen door cliënte geen sprake is.
(…)
20. (…) Mede indachtig ook zijn stelling dat hij de goudstaven in juni 2004 en november 2006 heeft gekocht bij Argentos in Antwerpen en de horloges in het buitenland zijn aangeschaft en hij ook voldoende geld daarvoor beschikbaar had zoals blijkt uit de onder bijlage 2 opgenomen stukken, verzoek ik u het geld, de goudstaven en de horloges terug te geven.”
Het derde middel
NJ2011, 44 m.nt. Keijzer – te overwegen dat sprake is van “vermenging van vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn met vermogensbestanddelen die uit een legale bron afkomstig zijn” en geoordeeld dat het aangetroffen vermogen in zoverre als “‘gedeeltelijk’ - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig” moet worden aangemerkt (zie hiervoor onder 3.8). [3] De eerste klacht van het derde middel stelt in wezen de vraag aan de orde of deze motivering toereikend is.
NJ2011, 44 m.nt. Keijzer), heeft de Hoge Raad overwogen dat “uit de wetsgeschiedenis [kan] worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig.” Vervolgens heeft de Hoge Raad, “in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever”, bepaald “dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd”. In dat verband noemt de Hoge Raad vier – niet limitatief bedoelde – gezichtspunten die bij de beoordeling kunnen worden betrokken:
Het vierde middel
Het vijfde middel
Het zesde middel
Het zevende middel
NJ2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis).