Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor witwassen omdat hij een geldbedrag van €15.000,-, afkomstig uit een misdrijf, had overhandigd aan een opsporingsambtenaar. Dit gebeurde nadat de politie hem bezocht om hem te herinneren aan een openstaande betalingsverplichting voortvloeiend uit een eerdere veroordeling, met de dreiging van vervangende hechtenis bij niet-betaling.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het nemo tenetur-beginsel was geschonden omdat hij onder druk was gezet om het geld te overhandigen, waardoor hij gedwongen werd bewijs tegen zichzelf te leveren. Het hof had dit verweer verworpen, stellende dat de druk voortkwam uit een rechtens opgelegde betalingsverplichting en dat de verdachte niet gedwongen was het geld op dat moment te geven.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en overwoog dat het nemo tenetur-beginsel niet absoluut is en dat het recht om te zwijgen en zichzelf niet te belasten niet wordt ontdaan wanneer een verdachte onder druk een betaling verricht die voortvloeit uit een onherroepelijke rechterlijke maatregel. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het nemo tenetur-beginsel niet was geschonden bij de overhandiging van het geldbedrag.