Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
Het begrip fonds voor gemene rekening is gedefinieerd in artikel 2, lid 2, Wet Vpb 1969. Die bepaling omschrijft een fonds voor gemene rekening alsvolgt:
Hoge Raad
Belanghebbende, een in Schotland gevestigde open-ended authorised unit trust zonder rechtspersoonlijkheid, verzocht om teruggaaf van ingehouden dividendbelasting over diverse boekjaren. De Inspecteur wees deze verzoeken af, wat leidde tot een procedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch en vervolgens cassatie bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende op grond van het EU-recht, met name artikel 56 EG Pro en artikel 63 VWEU Pro, recht had op teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende stelde zich op het standpunt vergelijkbaar te zijn met een Nederlands fonds voor gemene rekening met de status van fiscale beleggingsinstelling (fbi) en/of een doelvermogen, en daarom aanspraak te maken op dezelfde fiscale voordelen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een Nederlands fonds voor gemene rekening omdat de participatiebewijzen niet vrij verhandelbaar zijn, waardoor belanghebbende fiscaal transparant is en niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 10, lid 1, Wet DB 1965. Ook als doelvermogen kwalificerend, is geen recht op teruggaaf aanwezig. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt benadrukt dat het oordeel van het Hof over de uitleg van buitenlands recht en trustakte niet in cassatie kan worden getoetst.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de teruggaaf van dividendbelasting aan de Schotse trust bevestigd.