Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
open end authorised unit trustnaar Schots recht [1] , zonder rechtspersoonlijkheid, gevestigd (bestuurd) in Schotland, op grond van nationaal of EU-recht aanspraak heeft op teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting ex art. 10(1) Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Daarvoor is bepalend of een dergelijke
trust(i) ‘opbrengstgerechtigd’ is in de zin van art. 1(1) Wet DB en (ii) niet aan de vennootschaps-belasting zou zijn onderworpen als hij in Nederland zou zijn gevestigd.
unithouders) de opbrengstgerechtigden voor de dividendbelasting? Daartoe moet op basis van hun Schotsrechtelijke kenmerken beoordeeld worden met welke Nederlandse rechtsfiguur zij het meest vergelijkbaar zijn en welke fiscaalrechtelijke kwalificatie (opbrengstgerechtigd of transparant voor de dividendbelasting) dat oplevert. De belanghebbenden stellen dat zij vergelijkbaar zijn met een fonds voor gemene rekening dan wel met een doelvermogen.
Aberdeen Property; HR
BNB2014/20). Het verplicht Nederland slechts om hun procesbevoegdheid te erkennen (HvJ EU
Überseering), hetgeen Nederland heeft gedaan, zo blijkt uit het feit dat deze procedure wordt gevoerd, en om hen qua teruggaaf niet te discrimineren ten opzichte van vergelijkbare ingezeten rechtsfiguren (HvJ EU
Denkavit,
Amurta). Wel brengt het EU-recht mee, evenals (thans) lid 2 van art. 10 Wet Pro DB, dat hen niet tegengeworpen kan worden dat zij naar Schots recht geen rechtspersoon zijn. Evenmin kan hen tegengeworpen worden dat zij in Schotland onderworpen zijn aan de lokale vennootschapsbelasting (HR
BNB2014/20).
nietonder art. 2 Wet Pro Vpb vallen. Wellicht is deze discussie een overblijfsel van de eerdere fbi-discussie. Ik meen overigens dat ’s Hofs oordeel dat de
unitsin de belanghebbenden niet vrij overdraagbaar zijn, feitelijk en niet onbegrijpelijk.
BNB1999/35 volgt onmiskenbaar dat een doelvermogen fiscaal
niettransparant is. In de tweede plaats is duidelijk dat als de belanghebbenden doelvermogens zijn en zij in Nederland gevestigd zouden zijn, zij wel degelijk Nederlands inkomen zouden hebben, nl. de litigieuze dividenden. In de derde plaats volgt uit het niet onder art. 3 Wet Pro Vpb vallen niet dat de belanghebbenden geen opbrengstgerechtigden zijn in de dividendbelasting. In de vierde plaats is de omstandigheid waarop het Hof baseert dat geen teruggaafrecht zou bestaan (nl. dat de belanghebbenden noch binnenlands, noch buitenlands belastingplichtig zijn of zouden zijn voor de vennootschapsbelasting) juist een omstandigheid die hun standpunt
steunt. Art. 10(1) Wet DB is immers juist geschreven voor
niet-belastingplichtige (en vrijgestelde) lichamen.
dusniet-transparant en wél opbrengstgerechtigd. Vallen zij bovendien bij binnenlandse vestiging niet onder art. 2 en Pro 3 Wet Vpb, dan zijn zij dus niet vennootschapsbelastingplichtig en is dus voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
open-end authorised unit trust(AUT) naar Schots recht. Zijn ondernemingsactiviteiten bestaan uit het beleggen van vermogen ingelegd door participanten. Op grond van de Europese Richtlijn 85/611/EEG [2] en de
Britse Financial Services Act 1986en
Financial Services and Markets Act 2000is hij een instelling voor collectieve belegging in effecten (UCITS/icbe). Belanghebbende wordt beheerd door een
Manager: [A] Ltd. [3] Hij belegt onder meer in Nederlandse aandelen.
accumulation unitste kopen, waarvan de prijs wordt verhoogd met gerealiseerde winst. Voor uitdeling beschikbare winst wordt halfjaarlijks, op 31 mei en 30 november, geherinvesteerd. [4]
overseas dividends’
eveneens vrijgesteld. Het is mijn begrip dat in eerdere jaren deze dividenden niet waren vrijgesteld, maar dat voorkoming van dubbele belastingheffing werd verleend in de vorm van verrekening van dividendbelasting.”
unitsverhandelbaar zijn zoals bedoeld in art. 2(2) Wet Vpb, gegeven dat (i) hij uitsluitend certificaten op naam heeft uitgegeven, (ii) uit het prospectus en de trustakte niet blijkt dat de
unitsvrij verhandelbaar zijn, (iii) het prospectus vermeldt dat een unithouder zijn
unitsmoet aanbieden aan belanghebbendes
manager[A] Ltd die onderdeel is van de belanghebbende en dat de
manageraankoop kan weigeren als hij daartoe noodzaak ziet, en (iv) overgang bij vererving niet kan worden aangemerkt als verhandelen, ook niet als daarvoor niet de toestemming van alle overige participanten nodig is. Volgens de Rechtbank heeft de belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat hij vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd belastingsubject dat naar intern recht aanspraak zou hebben op teruggaaf van dividendbelasting.
unitsvrij verhandelbaar zijn:
buitenlandsebelastingplicht). Een dergelijk doelvermogen wordt in art. 2 Wet Pro Vpb niet als
binnenlandsbelastingplichtig aangemerkt, waaruit volgt dat de belanghebbende niet belastingplichtig zou zijn als hij in Nederland zou zijn gevestigd. De belanghebbende acht weigering van teruggaaf daarom in strijd met de verkeersvrijheden van het VwEU [8] , met name de vrijheid van kapitaalverkeer. Het Hof heeft overwogen dat voor de beoordeling daarvan:
3.Het geding in cassatie
unitsniet volledig vrij is en dat hij om die reden fiscaal transparant is. Gelet op het criterium in art. 2(3) Wet Vpb had het Hof volgens de belanghebbende moeten onderzoeken of uit de overlegde stukken blijkt dat alle participanten toestemming moe(s)ten geven voor de vervreemding van de
units. Dat heeft het Hof ten onrechte nagelaten. Uit het feit dat de door het Hof aangehaalde stukken niets zeggen over verhandelbaarheid heeft het Hof ten onrechte de conclusie getrokken dat de
unitsniet vrij verhandelbaar zouden zijn. Het Hof heeft ten onrechte de mogelijkheid tot inkoop door de belanghebbende uitgelegd als beperking van overdraagbaarheid tot uitsluitend overdraagbaar-heid aan het fonds. De inkoopmogelijkheid achten de belanghebbende alleen relevant als voor
unitoverdracht wél de toestemming van alle participanten vereist zou zijn, hetgeen het Hof niet heeft onderzocht. Uit het feit dat voor overdracht aan een derde de medewerking van de fondsbeheerder is vereist, kan volgens de belanghebbende niet het gevolg worden getrokken dat de
unithouders hun
unitsalleen aan de belanghebbende zelf kunnen vervreemden.
unitsrelevant is, maar ook andere omstandigheden, zoals wie civielrechtelijk eigenaar is van zijn vermogensbestanddelen, of de aansprakelijkheid van zijn participanten al dan niet beperkt is en of zijn participanten al dan niet pas na voorafgaand uitdelingsbesluit tot zijn inkomsten zijn gerechtigd. De belanghebbende baseert dit standpunt op jurisprudentie [10] en literatuur. [11] Hij merkt op dat het Hof zelf heeft vastgesteld (r.o. 4.4) dat voor fiscale (niet-)transparantie ‘onder meer’ van belang is of de
unitsvrij overdraagbaar zijn, aldus zelf erkennende dat vrije overdraagbaarheid slechts één van de criteria is voor de beoordeling van fiscale (non)transparantie. Het Hof heeft verzuimd de andere relevante criteria te benoemen en daaraan te toetsen.
Centros [12] en
Inspire Art [13] brengen volgens hem mee dat die Britse fiscale kwalificatie ook voor Nederlandse fiscale doeleinden moet worden gevolgd en dat hij dus als fiscaal zelfstandige entiteit moet worden aangemerkt, anders zou het recht op vrij verkeer zijn nuttig effect worden ontnomen. Kwalificatieconflicten zoals het litigieuze komen immers veelvuldig voor en de werking van de vrij-verkeerbepalingen zou ervan afhankelijk worden of de betrokken lidstaten toevallig al dan niet tot eenzelfde fiscale kwalificatie komen. Subsidiair stelt de belanghebbende dat uit de vrij-verkeerbepalingen volgt dat een
trustin het EU-recht als zelfstandig subject geldt en dat deze EU-rechtelijke zelfstandigheidserkenning de Nederlandse niet-erkenning opzij zet. Hij leidt dit af uit het HvJ-arrest in de zaak
Trustees of the P Panayi Accumulation & Maintenance Settlements(
Panayi) [14] . Uit dit arrest volgt volgens hem dat een
trustdie naar nationaal recht rechten en plichten heeft die hem in staat stellen als zodanig aan het rechtsverkeer deel te nemen en die daadwerkelijk een economische activiteit uitoefent, voor de toepassing van de vrijheid van vestiging als zelfstandig subject geldt. De belanghebbende ziet geen aanleiding om daar voor de toepassing van het in casu toepasselijke vrije kapitaalverkeer anders over te denken.
de kernstelt dat hij ex art. 10 Wet Pro DB recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat hij, ware hij binnenslands gevestigd, niet belastingplichtig zou zijn voor de vennootschapsbelasting, hoewel hij
weldividendbelastingplichtig (opbrengstgerechtigd) is voor de Nederlandse dividendbelasting omdat hij naar Nederlandse maatstaven fiscaal niet transparant is wegens zijn vergelijkbaarheid met een (open) fonds voor gemene rekening of een doelvermogen, of omdat het Unierecht eist dat zijn bestaan als fiscaal zelfstandig rechtssubject naar Brits recht ook wordt erkend door de andere EU-lidstaten.
verweeracht de Staatssecretaris, gezien de tekst van art. 2(2) (thans 2(3)) Wet Vpb onjuist belanghebbendes standpunt dat als voor de vervreemding van zijn
unitsniet de toestemming van alle
unithouders is vereist, hij reeds daardoor fiscaal zelfstandig zou zijn. Volgens de Staatssecretaris ligt in ‘s Hofs feitelijke oordeel dat de
unitsniet vrij verhandelbaar zijn besloten dat ze uitsluitend aan het fonds kunnen worden vervreemd. Daarvoor is weliswaar niet de toestemming van alle participanten vereist, maar ook vervreemdbaarheid alleen aan het fonds zelf staat in de weg aan erkenning van fiscale zelfstandigheid. Mochten de
unitsvolgens u wel vrij verhandelbaar zijn, dan laat dit volgens de Staatssecretaris onverlet dat voor kwalificatie als niet-transparant fonds voor gemene rekening ook vereist is dat voor gemene rekening, dus collectief wordt belegd, hetgeen volgens de Staatssecretaris niet het geval is in de jaren van geschil indien en voor zover belanghebbende toen maar één deelgerechtigde had.
veronderstelddat de belanghebbende een doelvermogen is, maar dat neemt niet weg de juistheid van ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.
Centrosen
Inspire Artniet relevant omdat het in die zaken, anders dan in belanghebbendes geval, ging om de vrijheid van vestiging en de toelaatbaarheid van oprichting van een filiaal door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming. Uit de zaak
Columbus Container Services [16] leidt de Staatssecretaris af dat het EU-recht een lidstaat niet bindt aan de fiscale behandeling van een lichaam in een andere lidstaat, naar wiens recht dat lichaam is opgericht.
repliekhandhaaft de belanghebbende zijn stellingen dat (i) zijn
unitsvrij verhandelbaar zijn en dat zijn vermogen voor gemene rekening wordt belegd, ook in jaren waarin mogelijk tijdelijk sprake was van slechts één participant, nu hij in alle jaren erkend was als icbe en (dus) in alle jaren diende voor collectieve belegging, (ii) hij als fiscaal niet-transparante entiteit moet worden aangemerkt en het Hof op dit punt een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, en (iii) het EU-recht hem als zelfstandig rechtssubject aanmerkt. Ad (ii) stelt hij als buitenlands niet-transparant doelvermogen subjectief (buitenlands) belastingplichtig te zijn voor de vennootschapsbelasting, maar bij gebrek aan Nederlands inkomen niet objectief belastingplichtig. Dat geen
objectievebelastingplicht bestaat, laat zijn
subjectievebelastingplicht volgens hem onverlet en dus ook zijn classificatie als non-transparante entiteit. Ad (iii) stelt de belanghebbende dat
Columbus Container Servicesgaat over een
outboundsituatie en over een kwalificatieconflict (over het belasting
object) terwijl belanghebbendes zaak gaat over een
inboundgeval en over een classificatieconflict over het belasting
subject. Volgens de belanghebbende moet Nederland na de inwerkingtreding [17] van het 2008-belasting-verdrag met het VK, met name art. 22(3) van dat verdrag de Britse fiscale classificatie van de belanghebbende als niet-transparant volgen. Ook uit de lopende staatssteunzaak
McDonald’s [18] en uit de zaak
Van der Weegen [19] volgt volgens de belanghebbende dat Nederland de (fiscale) kwalificatie van de oorsprongstaat moet volgen.
dupliekmeent de Staatssecretaris dat een staatssteunonderzoek naar
rulingsgeen licht werpt op belanghebbendes vrij-verkeerberoep en dat de Commissie haar onderzoek in de staatssteunzaak
McDonald’sheeft gestaakt en geen bewijs voor verboden staatssteun heeft aangetroffen. Belanghebbendes zaak is volgens de Staatssecretaris (ook) niet vergelijkbaar met de zaak
Van der Weegenomdat geen sprak is van nationaalrechtelijke voorwaarden voor teruggave waaraan een niet-ingezeten opbrengstgerechtigde nauwelijks of niet kan voldoen.
Köln-Aktienfonds Deka) en 16/03955 (
X Fund). Ik heb in die zaken op 9 november 2016 geconcludeerd [20] dat, kort gezegd, een niet-ingezeten fonds niet vergelijkbaar is met een fbi omdat hij niet inhoudings- en afdrachtplichtig is voor de Nederlandse dividendbelasting. U heeft op 3 maart 2017 in beide zaken prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld. [21] Dat Hof heeft u bij brief van 22 juni 2018 gevraagd of u uw vragen handhaaft na ‘s Hofs arrest in de Deense zaak
Fidelity Funds, [22] dat inhoudt dat niet-ingezeten beleggingsfondsen aanspraak hebben op dezelfde restitutie als ingezeten fondsen mits zij net als die ingezeten fondsen – maar dan vrijwillig – bij dooruitdeling dividendbelasting inhouden en afdragen aan de bronstaat van het dividend. Ik heb naar aanleiding daarvan op 27 september 2018 aanvullend geconcludeerd [23] dat uw vragen aan het HvJ EU kunnen worden ingetrokken omdat duidelijk is dat voorwaarde voor teruggaaf of verrekening van Nederlandse dividendbelasting ten gunste van niet-ingezeten niet-inhoudingsplichtige fondsen is dat zij (vrijwillig) voldoen aan dezelfde eisen als Nederlandse fbi’s, met name aan de dooruitdelingseis en de inhoudings- en afdrachtplicht jegens de Nederlandse fiscus. De belanghebbende voldoet denkelijk niet aan die vereisten. De zaken zijn thans bij u in studie.
4.De wet
De Wet op de dividendbelasting 1965
toegevoegd per 1 januari 2008: In afwijking van de eerste volzin wordt de teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden door een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 berekend volgens de formule:
toegevoegd per 1 augustus 2007: De eerste volzin is ook niet van toepassing met betrekking tot een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]
toegevoegd per 1 januari 2006:] Aan een in Nederland gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 dat is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, en aan een niet in Nederland gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt op zijn verzoek bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking teruggaaf verleend van de in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, indien deze belasting is ingehouden op opbrengsten van aandelen, winstbewijzen of geldleningen, die voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van de opbrengstgerechtigde en die aandelen, winstbewijzen of geldleningen wel deel uitmaken van het vermogen van een in Nederland gedreven onderneming, indien deze belasting meer bedraagt dan € 23. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe het lichaam niet de uiteindelijk gerechtigde is. Het verzoek geschiedt bij een aangifte die wordt gedaan binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn.] [26]
toegevoegd per 1 januari 2007: Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde rechtspersoon [lichamen; zie 4.3] die aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en die, ware hij in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.] [
toegevoegd per 1 augustus 2007: De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot rechtspersonen [lichamen; zie 4.3] die een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]”
lichaam dataldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en
dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. De eerste volzin is niet van toepassing met betrekking tot
lichamendie een vergelijkbare functie vervullen als beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.”
5.Het belastingverdrag NL-VK
unithouders’) toegang tot (art. 10 van Pro) het belastingverdrag met het VK (niemand ontzegt de belanghebbende een beroep op dat Verdrag), maar om de toepassing van (EU-conform geïnterpreteerd) intern recht: teruggaaf van dividendbelasting ex art. 10 Wet Pro DB, dus niet ex het Verdrag. Dat deze bepaling niet verder gaat dan het overnemen van de kwalificatie transparant/niet-transparant voor de toepassing van het Verdrag volgt ook uit een ander voorbeeld in de MvT (
curs. PJW): [35]
Het is echter niet de bedoeling van het derde lid om alle heffingsrechten aan het bronland te ontzeggen.Daarom is in het vierde lid aangegeven dat het bepaalde in het derde lid onverlet laat de belastingheffing in beide landen ter zake van dat inkomensbestanddeel bij de persoon die geacht wordt dit inkomen te hebben ontvangen.
6.Rechtspraak
Anstaltfiscaal transparant is en of dat beoordeeld moet worden naar Nederlands Liechtensteins recht. Uw Strafkamer oordeelde: [36]
BNB1999/35, [37] betreffende de heffing van schenkingsrecht, overwoog u dat Angelsaksische
trusts, als zij rechtsgeldig zijn opgericht en een afgezonderd vermogen inhouden, fiscaal zelfstandige entiteiten, nl. doelvermogens zijn en daarom
doorhun instelling
zelfkunnen worden bevoordeeld als verkrijger van het onder trustverband gebrachte vermogen:
BNB2012/12 [38] betrof de kwalificatie van een Amerikaanse LLC als fiscaal transparant of niet-transparant. U overwoog in het algemeen ‘voor de toepassing van het Nederlandse belastingrecht’, dus kennelijk voor alle belastingen tegelijk:
BNB2014/20, [39] betreffende een in Finland gevestigd
open endbeleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid dat in Finland was vrijgesteld van winstbelasting en dat met beroep op het EU-vrije-kapitaalverkeer de te zijnen laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting terugvroeg op basis van art. 10 Wet Pro DB. Niet in geschil was dat het Finse fonds, ware het in Nederland gevestigd, aan vennootschapsbelastingheffing zou zijn onderworpen. Evenmin was in geschil dat de vrijstelling in Finland niet afhing van dooruitdeling van de beleggingswinsten aan de aandeelhouders. Het geschil betrof de vraag of het Finse fonds desondanks voor de toepassing van art. 10(1) Wet DB voldoende vergelijkbaar was met een in Nederland gevestigd niet-onderworpen lichaam of fbi, gegeven dat hij in zijn vestigingsstaat niet was onderworpen aan winstbelasting. U meende van niet:
V-Nvroeg zich af of het door de Rechtbank genoemde arrest HR
BNB2012/12 [41] wel toepasbaar was, nu dat ging over de kwalificatie van een deelneming als fiscaal transparant. Zij merkte verder op:
Spezial Sondervermögen. Naar Oostenrijks recht was het
Sondervermögenfiscaal transparant. Om teruggaaf werd dan ook verzocht door een GmbH die voor 99% in het
Sondervermögenwas gerechtigd. Volgens de rechtbank moest het
Sondervermögenechter naar Nederlandse maatstaven als een fiscaal zelfstandig subject aangemerkt worden zodat hij zelf en niet de GmbH om teruggaaf van dividendbelasting had moeten verzoeken, [43] onder meer omdat het
Sondervermögenondanks ontbreken van rechtspersoonlijkheid en zelfstandige Oostenrijkse belastingplicht een afgescheiden vermogen vormde met een zekere zelfstandigheid, schuldeisers van participanten zich konden verhalen op de participaties maar niet op het
Sondervermögen, de participanten beperkt aansprakelijk waren, de resultaten van het
Sondervermögenniet rechtstreeks werden toegerekend aan de participanten en de participaties zonder toestemming konden worden overgedragen.
Privatstiftungdie teruggaaf van dividendbelasting ex art. 10 Wet Pro DB wenste, naar Nederlandse maatstaven geen zelfstandig rechtssubject was dat om teruggaaf van dividendbelasting kon verzoeken omdat de oprichter over de vermogensbestanddelen van de
Privatstiftungkon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. De rechtbank overwoog onder meer:
7.Literatuur
i.e.de opbrengstgerechtigde. Hij noemt expliciet het doelvermogen als niet-transparant en dus opbrengstgerechtigd voor de dividendbelasting (ik laat voetnoten weg;
curs. van mij):
dus niet-transparante entiteiten (wel bijvoorbeeld de open CV en het doelvermogenmaar niet de besloten CV en de EESV). Ook in de wetsgeschiedenis wordt gesproken over ‘een natuurlijk persoon of lichaam’ in de context van de vraag wie opbrengstgerechtigde is.”
Artikel 1. (…). (…) verschillende leden hebben gevraagd, of moet worden aangenomen dat een andere mogelijkheid om tot de opbrengst van aandelen enz. gerechtigd te zijn dan rechtstreeks of door middel van certificaten uitgesloten moet worden geacht. De ondergetekenden is geen andere mogelijkheid bekend waarbij nog gezegd kan worden dat de persoon in kwestie gerechtigd is tot de opbrengst van de in het eerste artikel van het ontwerp bedoelde aandelen, winstbewijzen en winstdelende obligaties. De ondergetekenden merken overigens op dat, al ware er een andere mogelijkheid aanwezig om tot de opbrengst van de onderwerpelijke effecten gerechtigd te zijn, er toch wel steeds een natuurlijk persoon of lichaam rechtstreeks of door middel van certificaten gerechtigd zal zijn tot de opbrengst van die effecten. In dit verband zij nog vermeld dat er in geval van depotfractiebewijzen en participatiebewijzen in beleggingsfondsen sprake is van rechtstreeks genieten (verwezen zij naar het arrest van de Hoge Raad van 5 december 1951, B. 9123).“
trusts(ik laat voetnoten weg):
WFR2005/949 [53] dat indien de criteria van de wetgever ten aanzien van het onderscheid tussen transparante en non-transparante entiteiten worden toegepast op de Anglo-Amerikaans trust, zulks voor verschillende trustvarianten verschillende resultaten oplevert. Over de subjectieve belastingplicht van een niet-transparante trust merken ze op (ik laat voetnoten weg):
trustin het Nederlandse belastingrecht schrijft Boer over deze omissie (ik laat voetnoten weg): [54]
8.Analyse
i.e.voor gevallen waarin dividendbelasting is ingehouden ten laste van een opbrengstgerechtigde die niet in een Nederlandse of EU/EER eindheffing valt of zou vallen. Is de opbrengstgerechtigde wél eindheffingsplichtig, dan is er in beginsel geen reden voor teruggaaf, want dan is de dividendbelasting ofwel verrekenbaar met die eindheffing (hetzij op grond van unilateraal recht, hetzij op grond van een verdrag tot voorkoming van internationale dubbele belasting), ofwel zij is geen voorheffing, maar eindheffing ten laste van niet-ingezetenen,
in plaats vande Nederlandse eindheffing.
nietbelastingplichtig zou zijn voor de vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd (zou hij dat wel zijn, dan voldoet hij niet aan de voorwaarden voor teruggaaf). Voor het eerste is een zelfstandig fiscaalrechtelijk bestaan vereist, maar voor het tweede ware dat juist liever te vermijden, hetgeen het moeilijk volgbare verloop van het partijdebat wellicht kan verklaren. De stelling van de fiscus dat de belanghebbende naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparant is, impliceert het standpunt dat de belanghebbende niet opbrengstgerechtigd is in de zin van art. 1 Wet Pro DB, waardoor hij geen toegang heeft tot art. 10 Wet Pro DB.
niettransparant is.
nietbelastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Als de belanghebbende een ‘doelvermogen’ is, voldoet hij aan beide voorwaarden, want doelvermogens worden in art. 2 Wet Pro Vpb niet aangewezen als binnenlands belastingplichtig, maar zijn wel opbrengstgerechtigd en daarmee belastingplichtig voor de dividendbelasting. De belanghebbende is weliswaar geen ‘rechtspersoon’, zoals art. 10(1) Wet DB eist, maar uit lid 2 volgt dat dat ook niet hoeft: voor niet-ingezeten entiteiten zoals de belanghebbende is in verband met het EU-vrij-verkeer immers voldoende dat zij ‘lichaam’ zijn, hetgeen mijns inziens slechts betekent dat zij (naar Nederlandse maatstaven) fiscaal niet-transparant moeten zijn.
BNB2014/20 [55] ) dat die laatste eis onverenigbaar is met het EU-recht, nu het er EU-rechtelijk slechts om gaat of de betrokken niet-ingezetene door Nederland ongunstiger behandeld wordt dan vergelijkbare ingezetenen. De vraag of die entiteit thuis onderworpen is, doet daarvoor niet ter zake. Die vraag is alleen van belang in verband met mogelijke verrekenbaarheid van de Nederlandse dividendbelasting. Zoals boven (8.2) opgemerkt, bestaat ondanks teruggaaf aan vergelijkbare ingezeten entiteiten geen aanleiding voor teruggaaf van de (daardoor op zichzelf discriminerende) voorheffing aan niet-ingezetenen als die discriminatie ‘geneutraliseerd’ wordt doordat de discriminerende bronheffing verrekend wordt met en dus verdwijnt in de eindheffing waaraan de niet-ingezetene thuis is onderworpen. [56] Alleen voor zover de bronlandse discriminatie niet wordt geneutraliseerd in het thuisland, dus alleen voor zover de niet-ingezetene met een
excess foreign tax creditkomt te zitten ter zake van het dividend, is Nederland zelf gehouden de discriminatie ongedaan te maken door middel van restitutie.
Centrosen
Inspire ArtNederland de Britse fiscale kwalificatie van de belanghebbende (fiscaal zelfstandige entiteit naar Schots recht) moet volgen. Dat betoog lijkt mij onjuist. Volgens onder meer HvJ EU
Aberdeen Property [57] zijn de lidstaten bij afwezigheid van EU-harmonisatie niet gehouden fiscale kwalificaties van andere lidstaten over te nemen, als zij maar niet discrimineren. In de boven (6.4) geciteerde zaak van het Finse fonds stelde de belanghebbende dat Nederland diens niet-onderworpen status volgens Fins belastingrecht moest erkennen. U achtte die stelling onjuist. Bij ontbreken van harmonisatie op dat vlak heeft Nederland de bevoegdheid (en de verplichting) om het Nederlands belastingrecht op niet-ingezeten fondsen toe te passen op basis van de kenmerken van die fondsen zoals Nederland zijn belastingrecht ook zou toepassen op ingezeten fondsen met die kenmerken. In HR
BNB2014/20 oordeelde u dan ook dat de Finse fiscale kwalificatie niet hoefde te worden overgenomen door bronland Nederland.
Überseering [58] en
Cartesio [59] volgt wel dat Nederland rechtspersoonlijkheid zou moeten erkennen als de belanghebbende volgens Schots recht met behoud van rechtspersoonlijkheid naar Nederland zou willen emigreren, maar de belanghebbende heeft geen rechtspersoonlijkheid, zodat er op dat punt niets te erkennen valt, en hij is evenmin geëmigreerd. Uit
Überseeringvolgt ook dat Nederland de belanghebbende als fiscaal procesbevoegdheid moet erkennen, maar gegeven dat wij ons allen over belanghebbendes zaak buigen, heeft Nederland dat ook gedaan.
naar EU-rechtelijke maatstavenals zelfstandig subject c.q. als non-transparante entiteit moet worden aangemerkt en dat die EU-rechtelijke maatstaven een eventuele Nederlandse kwalificatie als niet-transparant opzij zetten. Hij verwijst daartoe op het HvJ-arrest in de zaak
Panayi. [60] In de kern is deze stelling dezelfde als de primaire stelling van middel (iii), nl. dat de rest van de EU de Britse fiscale (niet-)transparantieregels voor Schotse
trustszou moeten overnemen. Dat hoeft echter niet, zolang de rest van de EU die
trustsmaar niet discrimineert ten opzichte van vergelijkbare binnenlandse rechtsvormen. De zaak
Panayiging dan ook over een ander probleem, nl. de vraag of de desbetreffende
trustüberhaupt toegang had tot de EU-vestigingsvrijheid waarop hij zich wilde beroepen om bij verplaatsing van de fiscale woonplaats van de
trusteesnaar een andere lidstaat een exitheffing te voorkomen over de meerwaarden in het trustvermogen. Voor de toegang tot de vestigingsvrijheid voor rechtspersonen (art. 54 VwEU Pro) waren twee vragen beslissend: (i) neemt de Panayi
trust volgens zijn recht van oprichtingzodanig zelfstandig deel aan het
nationalerechtsverkeer dat hij kan gelden als een van de rechtsvormen opgesomd in art. 54 VwEU Pro en (ii) streeft hij naar winst, zoals art. 54 VwEU Pro eist? Het HvJ beantwoordde beide vragen bevestigend, waardoor de Panayi
trusttoegang had tot art. 54 VwEU Pro. Die zaak is dus van geen belang voor belanghebbendes geval, nu niemand hem de toegang tot art. 54 VwEU Pro probeert te ontzeggen.
BNB1999/35 (zie 6.2) volgt dat de Nederlandse fiscaalrechtelijke kwalificatie van vreemdrechtelijke samenwerkingsverbanden zonder (vreemdrechtelijke) rechtspersoonlijkheid begint met de vaststelling van de buitenlands-civielrechtelijke kenmerken van dat samenwerkingsverband. Vervolgens wordt beoordeeld met welke Nederlands-rechtelijke rechtsfiguur die kenmerken de entiteit vergelijkbaar maken en welke kwalificatie zulks naar Nederlandse fiscaalrechtelijke maatstaven oplevert: fiscaal transparant of zelfstandige subjectieve belastingplicht. [61]
derdelid van art. 10 Wet Pro DB (tekst ingevoegd per 11 juli 2008 met terugwerkende kracht naar 1 januari 2007; thans tweede lid) vervangen door de term “lichaam” (zie 4.3 hierboven), maar in antwoord op de opmerking van de NOB dat dezelfde wijziging dan ook in het
eerstelid ware door te voeren, stelde de staatssecretaris van Financiën dat zo’n wijziging in het eerste lid geen materieel belang zou hebben omdat Nederlandse lichamen die onder het eerste lid kunnen vallen, alle rechtspersoonlijkheid hebben [62] (zie 4.3 hierboven). De belanghebbende is echter geen Nederlands lichaam en dit betoog maakt duidelijk dat de rechtspersoonlijkheidseis discrimineert omdat alle denkbare
Nederlandserechtsvormen er wel door gedekt worden. Uit het (thans) tweede lid volgt echter, zoals boven reeds opgemerkt, dat de wetgever EU-lichamen niet wilde discrimineren en daarom in (thans) lid 2 de term ‘lichaam’ gebruikte. Dat de belanghebbende geen rechtspersoon is, kan hem daarom mijns inziens niet tegengeworpen worden. Dat hij in Schotland onderworpen is, kan hem mijns inziens evenmin tegengeworpen worden, zoals boven (8.2) bleek, behalve voor zover hij daardoor de Nederlandse dividendbelasting zou kunnen verrekenen met zijn eindheffing. Dat hij niet in Nederland gevestigd is, kan hem EU-rechtelijk uiteraard evenmin tegengeworpen worden.
unitsin de belanghebbende niet als vrij verhandelbaar aangemerkt, niet omdat de toestemming van alle participanten vereist zou zijn (het criterium waarop de belanghebbende hamert), maar omdat ’s Hofs uitleg van de trustakte c.a. inhoudt dat participanten hun
unitsalleen aan de belanghebbende zelf kunnen overdragen. De uitleg c.q. vaststelling van de relevante documenten, feiten en omstandigheden is voorbehouden aan het Hof als feitenrechter. ’s Hofs oordeel dat een
unithouder, indien hij zijn
unitsaan een derde wil overdragen, dat niet zelf kan, maar hen eerst aan de belanghebbende zelf zal moeten overdragen, acht ik in het licht van de desbetreffende documenten niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Niet-vrije-verhandelbaarheid heeft tot gevolg dat de belanghebbende naar Nederlandse maatstaven niet onder art. 2 Wet Pro Vpb valt. Het Hof heeft daaraan, gegeven het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, het gevolg verbonden dat de belanghebbende fiscaal transparant is, kennelijk ook voor de dividendbelasting (en dus geen opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Wet DB). Die laatste conclusie volgt echter niet uit het al dan niet onder art. 2 Wet Pro Vpb vallen, nu art. 10 Wet Pro Vpb immers juist bedoeld is voor entiteiten die
nietonder art. 2 Wet Pro Vpb vallen (maar
wélonder art. 1 Wet Pro DB). Toetsing aan de vraag of een entiteit op basis van art. 2 Wet Pro Vpb al dan niet een belastingplichtig fonds voor gemene rekening zou zijn
voor de vennootschapsbelasting, of anderszins al dan niet onder art. 2 Wet Pro Vpb zou vallen, geeft dus geen antwoord op de vraag waar het om gaat, nl. of die entiteit opbrengstgerechtigd is ex art. 1(1) Wet DB.
voor de dividendbelastingtransparant is, dus of hij of zijn
unithouders opbrengstgerechtigd zijn. ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende geen fonds voor gemene rekening is in de zin van art. 2 Wet Pro Vpb, is verwarrend, want het impliceert dat de belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, niet vennootschapsbelastingplichtig zou zijn, hetgeen juist steun biedt aan belanghebbendes standpunt dat hij in aanmerking komt voor teruggaaf ex art. 10(1) Wet DB.
nietvennootschapsbelastingplichtig is. Hij zou zich dan in dezelfde positie bevinden als het Finse fonds in HR
BNB2014/20 (zie 6.4 hierboven) en dus bot vangen.
omdathij niet vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening, heeft het Hof vervolgens verondersteld dat de belanghebbende (wel) vergelijkbaar is met een doelvermogen zoals bedoel in (thans) art. 3(1)(c) Wet Vpb, maar geoordeeld dat deze kwalificatie de belanghebbende niet helpt omdat hij geen binnenlands inkomen geniet en daarom geen buitenlands belastingplichtige ex art. 3 Wet Pro Vpb is en bij binnenlandse vestiging evenmin binnenlands belastingplichtig ex art. 2 zou Pro zijn. Die redenering begrijp ik niet. In de eerste plaats is de veronderstelling waarvan het Hof uitgaat (de belanghebbende is een doelvermogen in de zin van art. 3 Wet Pro Vpb) onverenigbaar met zowel de wet als zijn eerdere oordeel dat de belanghebbenden juist transparant (dus fiscaal nonexistent) is. Uit art. 3 Wet Pro Vpb en uit het Trustarrest HR
BNB1999/35 (zie 6.2) volgt immers onmiskenbaar dat een doelvermogen fiscaal
niettransparant is. Marres (zie 7.2 hierboven) noemt het doelvermogen ook expliciet als opbrengstgerechtigd voor de dividendbelasting. In de tweede plaats lijkt duidelijk dat als de belanghebbende een doelvermogen is en hij in Nederland gevestigd zou zijn, hij wel degelijk binnenlands inkomen zou genieten, nl. de litigieuze dividenden. In de derde plaats volgt uit het niet onder art. 3 Wet Pro Vpb vallen niet dat de belanghebbende geen opbrengstgerechtigde is in de dividendbelasting, zodat het niet relevant is of de belanghebbende binnenlands inkomen geniet in de zin van art. 3 Wet Pro Vpb. In de vierde plaats is de omstandigheid waarop het Hof baseert dat de belanghebbende geen teruggaafrecht zou hebben (nl. dat hij noch binnenlands, noch buitenlands belastingplichtige is of zou zijn) juist een omstandigheid die belanghebbendes standpunt
steunt. Art. 10 is Pro immers – het wordt eentonig – juist geschreven voor
niet-belastingplichtige (en vrijgestelde) lichamen.
alsde belanghebbende een doelvermogen is, zoals het Hof veronderstelt, impliceert dat immers dat hij
niet-transparant en wél opbrengstgerechtigd is. Valt hij bovendien bij binnenlandse vestiging niet onder art. 2 en Pro 3 Wet Vpb, dan is hij dus niet vennootschapsbelastingplichtig en is dus voldaan aan de voorwaarden voor teruggaaf van de voorheffing.
verrekeningsrecht bestond, gegeven dat de belanghebbende is onderworpen aan de Britse vennootschapsbelasting, hetgeen een vermoeden van
ordinary creditkan doen rijzen, en evenmin dat ook zijn
unithouders niet indirect iets met de Nederlandse dividendbelasting konden aanvangen. In hoger beroep lijkt dit punt niet aan de orde geweest te zijn. De in 8.2 geciteerde brief van de belanghebbende aan de Inspecteur lijkt mij een wankele basis voor een feitelijk uitgangspunt dat in geen van de zeven zaken enige Nederlandse dividendbelasting is verrekend of teruggegeven in het VK. Het zou voor u en voor een eventueel verwijzingshof nuttig kunnen zijn als de partijen zich er bij Borgersbrief expliciet over uitlaten in hoeverre zij het eens zijn dat van de litigieuze dividendbelasting in geen van de zeven zaken enig bedrag is verrekend of teruggegeven in het VK, hetzij ten gunste van de belanghebbende, hetzij ten gunste van zijn participanten.