Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 mei 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 september 2019. De verdachte werd veroordeeld voor witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Het cassatieberoep betrof onder meer de vraag of het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met een lening verstrekt door de moeder van verdachte bij de vaststelling van het bewezenverklaarde witwasbedrag.
Daarnaast werd geklaagd over het door het Openbaar Ministerie uitgevoerde financiële onderzoek. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de gronden van het oordeel nader te motiveren, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering op 11 mei 2021. Het arrest bevestigt de eerdere uitspraak van het hof en verwerpt het beroep van verdachte, waarmee de veroordeling voor witwassen ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.