Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De procedure voor het Hof
4.Beoordeling van het middel
In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende is in 2008 gehuwd met huwelijkse voorwaarden waarbij een beperkte gemeenschap van goederen werd overeengekomen. De echtgenoot stortte rond die tijd € 10 miljoen op een gezamenlijke bankrekening die tot de beperkte gemeenschap behoorde. Na het overlijden van de echtgenoot in 2012 stelden de erfgenamen de omvang van de beperkte gemeenschap vast.
De Inspecteur legde aan belanghebbende een navorderingsaanslag in het recht van schenking op voor een bedrag van € 5 miljoen, stellende dat sprake was van een schenking bij het aangaan van het huwelijk. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat geen sprake was van een schenking omdat de beperkte gemeenschap een vordering op de bank omvatte die in hoogte kan fluctueren en het resultaat van vermogensverschuivingen pas bij het einde van de gemeenschap kan worden vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bij het aangaan van een huwelijksgemeenschap nog geen voltooide vermogensverschuiving plaatsvindt die kenmerkend is voor een schenking. Ook de specifieke kenmerken van een beperkte gemeenschap maken dat geen sprake is van een belastbare schenking bij het aangaan van het huwelijk.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee blijft de navorderingsaanslag in het recht van schenking gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag in het recht van schenking blijft gehandhaafd.