Erflater, chronisch ziek, ging ruim twee maanden voor zijn overlijden een geregistreerd partnerschap aan met belanghebbende, die hem als mantelzorger begeleidde. Kort na overlijden woonde belanghebbende weer samen met haar voormalige partner. De inspecteur legde een navorderingsaanslag erfbelasting op waarbij de partnervrijstelling werd teruggenomen wegens vermeende fraus legis.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslag onterecht was opgelegd en vernietigde deze, waarbij zij de partnervrijstelling toepaste. De inspecteur ging in hoger beroep. Het hof volgde de rechtbank en oordeelde dat het geregistreerd partnerschap niet was aangegaan voor een zo korte periode dat de wettelijke plichten geen reële praktische betekenis hadden. Het fiscale motief was aanwezig, maar niet doorslaggevend in strijd met doel en strekking van de Successiewet.
Het hof nam diverse feiten mee, zoals de aankoop van een woning voor verzorging, de zorgrelatie, de wederzijdse genegenheid en de omstandigheden rond het overlijden. Ook werd het feit dat belanghebbende na overlijden weer samenwoonde met haar voormalige partner niet als bewijs van het ontbreken van een reëel partnerschap gezien. Het hoger beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.