Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het niet voldoen aan een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Middelburg op grond van artikel 172a lid 1 onder a van de Gemeentewet. Dit gebiedsverbod verbood hem zich gedurende drie maanden tussen 18.00 en 08.00 uur in een horecaconcentratiegebied te bevinden. De verdachte werd op 29 september 2018 betrapt op het overtreden van dit verbod.
In hoger beroep voerde de verdediging aan dat het gebiedsverbod niet rechtmatig was opgelegd omdat niet was vastgesteld dat de verdachte de openbare orde ernstig of herhaaldelijk had verstoord, een vereiste voor het opleggen van een dergelijk verbod. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de burgemeester in redelijkheid mocht aannemen dat er een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestond, maar liet na te beoordelen of de verdachte daadwerkelijk herhaaldelijk de openbare orde had verstoord.
De Hoge Raad oordeelt dat bij vervolging op grond van artikel 184 Sr Pro niet alleen moet worden onderzocht of het wettelijke voorschrift verbindend is, maar ook of het bevel rechtmatig is gegeven. Dit onderzoek moet gemotiveerd worden verricht en blijken uit de uitspraak. Omdat het hof heeft nagelaten te beslissen over de vraag of de verdachte herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord, is het arrest onvoldoende gemotiveerd en wordt het vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing. Hiermee wordt benadrukt dat het opleggen van een gebiedsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet vereist dat sprake is van ernstige of herhaalde verstoring van de openbare orde en een ernstige vrees voor verdere verstoring.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.