ECLI:NL:HR:2021:953
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij projectontwikkeling en verhuur onroerend goed
Belanghebbende erfde aandelen in vennootschappen die zich bezighouden met projectontwikkeling en verhuur van onroerende zaken. Het Hof Amsterdam oordeelde dat deze activiteiten niet als één onderneming konden worden beschouwd en dat de verhuuractiviteiten geen materiële onderneming vormden, waardoor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) niet op het verhuurvermogen van toepassing was.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte de activiteiten strikt gescheiden had beoordeeld en dat de arbeid-plus-toets onjuist was toegepast. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof een juiste rechtsopvatting hanteerde bij de definitie van onderneming en dat het oordeel over de verhuuractiviteiten niet onbegrijpelijk was.
Echter oordeelde de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde panden niet als ondernemingsvermogen werden gekwalificeerd, waardoor het arrest werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor nader onderzoek naar de toerekening van panden aan projectontwikkelingsactiviteiten.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten en verplicht tot vergoeding van het griffierecht. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van de BOR bij samengestelde vastgoedactiviteiten en benadrukt het belang van een zorgvuldige vermogensetikettering.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor nader onderzoek naar de toerekening van panden aan projectontwikkelingsactiviteiten.