Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
[f-straat 1] [g-straat 1]
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
WFRmet een betoog voor falsifieerbare normen en een omstandighedencatalogus in het kader van het ondernemingsvraagstuk bij vastgoedexploitanten. Hierin omschrijven zij de arbeid-plustoets en rendement-plustoets: [53]
WFReen discussie geweest over de rol van de Hoge Raad bij het geven van een maatstaf voor onderscheid tussen onderneming en belegging bij de verhuur van vastgoed. Deze discussie begon met een bijdrage van Albert. De conclusie van die bijdrage luidt als volgt: [54]
hebben de aard en omvang van de werkzaamheden van de BV meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is en hebben de aard en omvang van de werkzaamheden onmiskenbaar ten doel het behalen van voordelen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan?Op dit moment is de maatstaf te vaag (zie de casus uit onderdeel 6.1). De maatstaf kan volgens mij alleen concreet worden ingevuld als een rechtbank of gerechtshof bereid is prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het zelf toepassen van de maatstaf door de feitenrechter zal nimmer de vereiste duidelijkheid geven.
WFR.Hieronder is een aantal relevante passages opgenomen: [56]